Ramon Wernsen
De financieel planner: schakelen tussen rechter- en linkerhersenhelft
Publicatie Vakblad Financiële Planning (VFP 2020), nummer 4 2021, door Ramon Wernsen
De financieel planner die de rollen van partner, gids en docent vervult voor zijn klanten wordt minder kwetsbaar als de financiële producten slechter presteren dan verwacht of wanneer een van zijn goedbedoelde voorspellingen niet uitkomt. De planner heeft als belangrijkste taak de connectie te leggen tussen de financiën van de klant en zijn financiële doelen plus de prioriteiten die de klant heeft in alle andere onderdelen in het leven, zoals familie, vrije tijd, persoonlijke groei en dergelijke.
Niet financiële producten en transacties staan hierbij centraal, maar de transitie naar het leven zoals de klant het wil leiden. Hier kan ook de link worden gelegd met de behoeftepiramide van Maslow. Een persoon komt pas toe aan innerlijke groei nadat is voldaan aan een basisbehoefte zoals veiligheid en zekerheid. Voor een financieel planner kan dit gelezen worden als: een klant komt pas toe aan zijn wens om op 50 te stoppen met werken en een huis in Frankrijk te kopen en daar te gaan wonen, als hij weet dat hij nu en in de toekomst voldoende geld heeft om in zijn huidige gewenste levensonderhoud te voorzien. Om voorgaande te realiseren zal de financieel planner over veel vaardigheden moeten beschikken en naast zijn veelal goed ontwikkelde linkerhersenhelft, vooral ook zijn rechterhersenhelft moeten blijven aanspreken.
Nieuwsgierigheid loont
Het geheime wapen van een financieel planner is, dan wel zou moeten zijn, in eerste instantie het kunnen voeren van een goede inhoudelijke dialoog: nieuwsgierig zijn naar het leven van de klant, in plaats van het afwerken van een checklist of vragenlijst. Deze moeten worden gezien als een hulpmiddel en niet als doel op zich. Dit betekent dat de dialoog rondom deze ‘lijstjes’ en de interpretatie van de door de (potentiële) klant gegeven antwoorden een stuk belangrijker zijn.
Veel adviseurs zijn van oudsher opgeleid om vooral de kwantitatieve gegevens te inventariseren, bijvoorbeeld het inkomen en het vermogen. Hier staan geld en financiële producten vaak direct centraal in het gesprek, ofwel ‘hoeveel hebt u?’. Een financieel planner zou in eerste instantie nieuwsgierig en belangstellend moeten zijn in de persoon achter de cijfers, ofwel ‘wie bent u?’.
Vermogen opbouwen: welke fiscale box heeft dit jaar uw voorkeur? (deel 2, slot)
Publicatie vakblad De Hypotheekadviseur (VFP 2020), nr. 2/ 2021, door Ramon Wernsen
Ieder jaar wijzigen onze wetten, regels en belastingtarieven. 1 januari is daarom een belangrijke datum voor u als adviseur en uw klanten. Het is mogelijk om zowel in box 1, 2 en 3 als daarbuiten vermogen op te bouwen. Elke fiscale box heeft zo zijn voor- en nadelen. In dit artikel en in het vorige nummer (deel 1) komen de belangrijkste wijzigen aan bod met betrekking tot de boxen 1, 2 en 3, alsook de voor- en nadelen van de betreffende fiscale boxen.
Box 2: (spaar)bv, vbi en (open)fonds gemene rekening
In deel 1 (DHA 2021/9) is al aangegeven dat één van de voordelen van vermogen opbouwen in box 2 is dat dit vermogen niet meetelt voor de vermogenstoets welke geldt voor bepaalde toeslagen en uitkeringen. Maar uiteraard zijn er meer voordelen. Een belangrijk voordeel is dat het box 2-vermogen niet meetelt voor de forfaitaire belastingheffing in box 3. In box 2 wordt niet een fictief, maar in beginsel het werkelijke rendement belast met vennootschapsbelasting. Stel dat uw klant samen met zijn fiscale partner een box 3-vermogen heeft van € 1 miljoen dat opeen spaarrekening staat tegen een negatieve rente van 0,5%. Per peildatum 1 januari 2021 is over dit vermogen € 11.750 vermogensrendementsheffing verschuldigd. In een percentage uitgedrukt is dit 1,18%. Ofwel uw klant heeft een rendement gemaakt van -1,68%. Houden we ook nog rekening met 1,7% inflatie dan bedraagt het reële rendement -3,38%. Wanneer de klant besluit om dit vermogen over te hevelen naar een spaar-bv dan is 15% vennootschapsbelasting verschuldigd over het werkelijke rendement. Dit betekent in dit voorbeeld nihil. Zodoende komt het rendement uit op 0% en reëel -1,7%. Al met al een besparing van 1,68% ofwel € 16.800.Read more
Kennis van ETF’s leidt tot beter beleggen
Publicatie VP Bulletin vermogende particulieren (jaargang 28/ maart 2021, nummer 3, uitgeverij Wolters Kluwer), door Ramon Wernsen
Vandaag de dag is een indexbelegging op de S&P 500 het meest verhandelde aandeel ter wereld.1 Deze index bestaat uit de 500 grootste Amerikaanse bedrijven. Nog niet eens zo heel lang geleden was beleggen in indexen vooral iets voor institutionele beleggers, maar tegenwoordig beleggen ook meer en meer particuliere beleggers in indexproducten, waaronder ETF’s (deze afkorting staar voor Exchange Traded Funds). Dit gaat ten koste van het beleggen in actieve beleggingsfondsen en beleggen in individuele aandelen.2 Veel beleggers kiezen voor indexbeleggen vanwege de lage kosten en de eenvoud van de producten. In werkelijkheid zijn er verschillende soorten indexproducten van eenvoudig tot complex. Ook qua kosten zijn er grote verschillen in de diverse indexproducten.
Koersveranderingen op beleggingsbeurzen en andere financiële markten laten zich niet voorspellen. Of het aandeel ASML, Heineken of Unilever gaat stijgen of dalen, of aandelen Koninklijke Olie, Randstad of DSM niet lager kunnen dan wel of de rente gaat stijgen of voor langere tijd negatief zal blijven, valt niet te voorspellen.
Als iemand in uw omgeving de gratis gouden tip geeft hoe u door beleggen in korte tijd rijk kunt worden, dan is deze tip vaak waardeloos en zeker geen goud waard. Ook in dit artikel leest u niet hoe u even snel financieel onafhankelijk wordt door beleggen. Wel is er in dit artikel aandacht voor een wijze van beleggen die de afgelopen jaren snel terrein wint: indexbeleggen. Vaak wordt hieronder verstaan beleggen in ETF’s, welke in de Euronext-landen ook wel trackers worden genoemd (in dit artikel worden de termen ETF en tracker door elkaar gebruikt). Het Engelse woord tracken betekent volgen en dit is ook precies wat deze beleggingsproducten in de kern doen. Het zo nauwkeurig mogelijk volgen van een index.
Vermogen opbouwen: welke fiscale box heeft dit jaar uw voorkeur? (deel 1)
Publicatie vakblad De Hypotheekadviseur (VFP 2020), nr. 1/ 2021, door Ramon Wernsen
Ieder jaar wijzigen onze wetten, regels en belastingtarieven. 1 januari is daarom een belangrijke datum voor u als adviseur en uw klanten. Het is mogelijk om zowel in box 1, 2 en 3 als daarbuiten vermogen op te bouwen. Elke fiscale box heeft zo zijn voor- en nadelen. In dit artikel en in het volgende nummer (deel 2, slot) komen de belangrijkste wijzigen aan bod met betrekking tot de boxen 1, 2 en 3, alsook de voor- en nadelen van de betreffende fiscale boxen.
Wat is behavioral finance?
De belangrijkste doelstelling van veel van uw klanten is dat zij hun huidige uitgavenpatroon bij voorkeur zolang mogelijk kunnen blijven voortzetten. Niet alleen nu, maar ook nadat zij gestopt zijn met werken. Vermogen wordt opgebouwd doordat minder wordt uitgegeven dan er aan geld binnenkomt uit arbeid, uitkering, rente, dividend, schenkingen en erfenissen. Verder bouwen veel mensen ongemerkt vermogen op in hun eigen woning. Dit omdat de woning in waarde is gestegen vanaf het moment van aankoop, dan wel omdat de hypotheekschuld is verlaagd door automatische aflossing of vrijwillige extra aflossingen. Het geld dat resteert nadat alle uitgaven zijn voldaan kan door uw klanten alsnog worden geconsumeerd, dan wel opzij worden gezet op een spaarrekening, beleggingsrekening, uit te lenen of worden gebruikt om (hypotheek)schulden af te lossen. Andere mogelijkheden zijn om het geld te schenken aan bijvoorbeeld de kinderen. Dit laatste is vaak een andere belangrijke doelstelling die uw klanten hebben. Vaak wordt geschonken binnen de fiscale vrijstellingen die hiervoor gelden, dan wel wordt gebruikgemaakt van een papieren schenking. In plaats van schenken wordt ook wel gekozen om geld uit te lenen aan de kinderen al dan niet in combinatie met een schenking.
Belangrijkste doelstelling
Zoals gezegd voor velen is de belangrijkste doelstelling dat zij geld genoeg hebben om oud te worden. De vraag is of het pensioeninkomen hiervoor voldoende is. Dit pensioeninkomen zal veelal bestaan uit AOW en het opgebouwde ouderdomspensioen. Het betreft hier inkomen dat in box 1 valt en bij uitkering hier ook zal worden belast met momenteel een progressief belastingtarief tussen de 19,2 en 49,5%. Het is onzeker of deze tarieven ook nog gelden over bijvoorbeeld 10 of 20 jaar, of nog verder in de toekomst. Daar komt bij de onzekerheid over de indexatie van de pensioenen, alsook de houdbaarheid van de AOW. Door de vergrijzing zal het percentage 65-plussers in ons land alleen maar toenemen. Momenteel is 23% van de totale bevolking ouderdan 65 jaar. De verwachting is dat dit percentage zal toenemen naar 40,7% in 2030 en 47,3% in 2040.1
Kennis van behavioral finance leidt tot beter advies
Publicatie Vakblad Financiële Planning nr. 1/ 2021 (VFP 2021/4), door Ramon Wernsen
Als financieel planner hebt u elke dag te maken met mensen. Er is de laatste jaren heel veel gericht onderzoek gedaan naar gedrag, valkuilen en emoties van mensen. In dit artikel beschrijf ik een aantal biases waar u als financieel planner mee te maken krijgt. Het herkennen en erkennen hiervan leidt tot een beter advies en een nog grotere kans op een lange-termijnrelatie met uw klanten.
Wat is behavioral finance?
Behavioral finance gaat over het begrijpen hoe mensen financiële beslissingen nemen, zowel individueel als collectief1. Professor in behavioral finance Meir Statman sprak ooit de legendarische woorden: ‘People in standard finance are rational. People in behavioral finance are normal’.2 Financiële planning draait om mensen en u als adviseur moet zich er constant bewust van zijn dat mensen, ongeacht hun afkomst of financiële positie, hun beslissingen niet uitsluitend nemen uit rationele overwegingen. De mens is een denkend, maar ook een voelend wezen. Het zijn dus geen automaten die zonder emotie handelen. Kennis van behavioral finance is dan ook van groot belang om begrip te krijgen voor de (onlogische) drijfveren van klanten. Dit draagt bij aan een beter gesprek om de ware doelstellingen en vraagstukken boven water te krijgen. Dit alles draagt ertoe bij dat uw klant zich beter begrepen voelt. Dit alles leidt uiteindelijk tot een beter persoonlijk financieel advies.
Belangrijke biases
Doordat we allemaal mensen zijn maken we allemaal fouten, zijn we allemaal emotioneel en stappen we allemaal in dezelfde valkuilen. Hierna in het kort een aantal belangrijke biases.
Verliesaversie: uit onderzoek blijkt dat verlies ongeveer twee keer zoveel meer pijn doet dan winst genot geeft.3 Een winst van 5% op de beleggingsportefeuille voelt als 5%, een verlies van 5% voelt als een verlies van 10%.
Disposition effect: de neiging van beleggers om aandelen die in koers stijgen te verkopen (winst te nemen), maar niet aandelen met verlies te verkopen (verlies te nemen), hoewel een ongerealiseerd verlies natuurlijk ook verlies is. Een veelgehoorde zin in deze is dan ook: van winst nemen is nog nooit iemand armer geworden.4
De invloed van een scheiding op de eigen woning
Publicatie verschenen vakblad De Hypotheekadviseur (VFP 2020), nr. 5/ 2020, door Ramon Wernsen & Angelo van Nies
Gemiddeld scheiden jaarlijks 30.000 tot 35.000 stellen (bron CBS). Een echtscheiding brengt het huwelijk terug tot een zakelijke transactie. De gezamenlijke woning is bij een scheiding veelal het struikelblok. Vooral als beide partners in betere tijden gezamenlijk de woning hebben gekocht en zij beiden voor de helft eigenaar zijn van de woning én de hypotheek die erop rust.
Als aan de relatie een einde komt, heeft dit afhankelijk van de eigendom van de eigen woning gevolgen voor de voormalige partners. Als de partners zijn getrouwd in de (algehele) gemeenschap van goederen of juist de gemeenschap van goederen hebben uitgesloten en de woning gezamenlijk hebben gekocht, zal de woning aan één van hen worden toebedeeld, of worden verkocht aan een derde.
Hieraan voorafgaand zal één van de partners wellicht in een andere woning zijn gaan wonen. Een woning die de eigenaar niet duurzaam als hoofdverblijf gebruikt, valt voor diegene in box 3. In beginsel houdt bij het verlaten van de eigen woning, voor de eigenaar de eigenwoningregeling op. Dat betekent geen eigenwoningforfait of hypotheekrenteaftrek. Gedurende 24 maanden is een uitzondering van toepassing op de situatie dat de voormalige partner van de eigenaar in het kader van de alimentatieregeling in de woning blijft wonen en deze duurzaam als hoofdverblijf dient.
Vervolgens speelt na de toebedeling aan één van de partners de vraag over de werking van de eigenwoningregeling. De vertrekkende partner vervreemd diens aandeel in de woning aan de blijvende partner. Als deze laatste de aankoop financiert met een hypotheek kan deze hiervoor renteaftrek krijgen in box 1. Wel moet dan worden voldaan aan de wettelijke eisen, zoals de minimaal annuïtaire aflossingseis (Wet IB 2001, art. 3.119a, lid 1 onder b). Als de vervreemdingsprijs van de vertrekkende partner hoger is dan diens eigenwoningschuld, realiseert diegene een eigenwoningreserve die bij de aankoop van een nieuwe woning de maximale eigenwoningschuld vermindert (bijleenregeling, Wet IB 2001, art. 3.119aa en 3.119b).
Einde 700 jaar dalende reële rente nog niet in zicht
Publicatie verschenen Vakblad Financiële Planning (VFP 2020), nr. 9/ 2020 (september 2020, VFP 2020/67), door Ramon Wernsen
Spaarders vinden het maar raar dat de rente en inflatie momenteel zo laag zijn. Ze vinden het logisch en wenselijk dat regeringen en centrale banken er iets tegen doen. Maar heeft dat wel zin? Paul Schmelzing bestrijdt dat in zijn promotieonderzoek over de rente.
Schmelzing begon aan zijn studie omdat hij de bestaande theorieën over de lage rente nogal armoedig vond. Het gaat dan bijvoorbeeld om Thomas Piketty, die de oorzaak zoekt bij een groeiende welvaartskloof, en Larry Summers en Paul Krugman die de lage rente toeschrijven aan een zogeheten seculiere stagnatie. Schmelzing kwam zelf tot de conclusie dat de reële rente al meer dan 700 jaar daalt. Ook doet hij een uitspraak over de renteontwikkeling in de toekomst. Het archiefonderzoek van Schmelzing is interessant voor financiële planners, aangezien de factoren rente en inflatie een grote invloed hebben op de uitkomsten van het financieel plan en het advies aan de klant.
In zijn working paper ‘Eight centuries of global real interest rates, R-G, and the ‘suprasecular’ decline, 1311- 2018’ heeft Schmelzing de ontwikkeling van de reële rente tussen 1311 en 2018 in kaart gebracht.¹ Voor zijn promotieonderzoek aan de Harvard University – in samenwerking met de Bank of England – dook hij in de stedelijke en nationale archieven van de stadstaten van Noord-Italië, het Habsburgse Rijk (Duitsland), Spanje, de provincie Holland (destijds de thuishaven van de wereldwijde financiële hoofdstad Amsterdam), Groot-Brittannië en de Federal Reserve (Fed). Zo kreeg hij een beeld van de gangbare rentes in de afgelopen 700 jaar die waren afgesproken tussen koningen, stadsstaten en (later) overheden.
Het onderzoek van Schmelzing start rond het jaar 1300 na Christus. De historisch oudste bewijsbare rentes dateren al van ongeveer 3.000 jaar voor Christus uit het Sumerische tijdperk in Mesopotamië. De rente voor zilverleningen bedroeg rond de 20 procent en de rente voor graanleningen kon oplopen tot boven de 30 procent.
Het idee van rentebetalingen werd bekritiseerd door de filosoof Plato (427 – 347 voor Christus), alsook door zijn leerling Aristoteles (385 – 323 voor Christus). Zij vonden het onnatuurlijk dat met rente een winst werd behaald zonder dat sprake was van arbeid.
In de middeleeuwen waren de verschillende wereldreligies streng tegen op rente. De katholieke kerk verbood rentebetalingen van welke aard dan ook. Bij overtreding dreigde verstoting uit de gemeenschap. Ook binnen de islam werden rentes in principe verboden. Dit standpunt is vandaag de dag nog steeds een vast onderdeel van de Sharia. Om deze reden ontstond het islamitische bank- en financieringswezen, waarin volledig wordt afgezien van rentebetalingen. Bij het jodendom waren rentetransacties eveneens verboden binnen de religieuze gemeenschap. Vanaf de 15e en 16e eeuw werd het katholieke verbod op rentebetalingen steeds losser gehandhaafd, alvorens het officieel werd opgeheven in de 19e eeuw.²
Huizenkoper staat nauwelijks stil bij risico op werkloosheid
Publicatie op rtlnieuws.nl, 27-08-2020
Huizenkopers houden vaak geen rekening met het risico dat zij werkloos worden. In sommige gevallen kan dat tot financiële problemen leiden. Nu door de coronacrisis meer mensen werkloos raken is het juist zaak daarbij stil te staan.
“Je moet je alleen verzekeren tegen risico’s die je niet zelf kunt dragen”, adviseert Wernsen. “Bedenk goed wat de kans is dat je je inkomen kunt blijven verdienen. Op basis daarvan nemen we dan een besluit over wat slim is om te doen.”
Het belang van de asset allocatie binnen financiële planning
Publicatie verschenen in Vakblad Financiële Planning (VFP 2020), nummer 5 2020 (mei/ juni 2020), door Ramon Wernsen
Financiële planning gaat vaak over het realiseren van langere termijn doelstellingen. Om deze doelstellingen te realiseren is vaak veel geld nodig. Kapitaal dat vaak nog niet aanwezig is, maar in de loop der jaren moeten worden opgebouwd. Om het benodigde doelkapitaal op te bouwen is meestal een hoger rendement nodig dan op risicovrije spaarrekeningen en deposito’s wordt vergoed. Zeker ook omdat rekening moet worden gehouden met het fenomeen inflatie. Aandelen zijn hier een goede remedie tegen. Echter aandelen worden door de meeste mensen beschouwd als risicovol. Dit is ook de reden dat niet iedereen vermogen opbouwt op basis van een offensief beleggingsprofiel. Voor de verschillende beleggingsprofielen geldt een verwacht rendement en risico. Het betreft hier grotendeels aannames en verwachtingen op basis van het verleden. Voor de financieel planner is het belangrijk te weten welk beleggingsprofiel nodig is om de langere termijn doelstellingen van de klant te realiseren.
Definitie asset allocatie
Wanneer gesproken wordt over asset allocatie, moet onderscheid worden gemaakt tussen de strategische en tactische asset allocatie.
De strategische asset allocatie is de langetermijnverdeling tussen de belangrijkste beleggingscategorieën: zakelijke waarden (hieronder vallen beleggingen in aandelen, onroerend goed, hedgefondsen, private equity, grondstoffen, alsook een klein deel van de obligaties met een lage kredietwaardigheid) en vastrentende waarden (hieronder vallen de meeste beleggingen in obligaties, zoals staatobligaties en bedrijfsobligaties).¹
De strategische asset allocatie is het uitgangspunt bij de inrichting van een beleggingsportefeuille. Hoe groter het percentage aandelen in de beleggingsportefeuille, hoe hoger het beleggingsrisico en daarmee het verwachte rendement op de langere termijn. Andersom geldt hoe groter het percentage obligaties, hoe lager het beleggingsrisico en hiermee het verwachte rendement.
De tactische asset allocatie is de tijdelijke asset allocatie waarmee wordt afgeweken van de strategische asset allocatie. Stel we gaan uit van een neutraal beleggingsprofiel. De daarbij behorende asset allocatie is vastgesteld op minimaal 40 en maximaal 60 procent zakelijke waarden en minimaal 40 en maximaal 60 procent vastrentende waarden. Als wordt verwacht dat de beurzen gaan stijgen, is een offensievere asset allocatie verstandiger, ofwel 60 procent zakelijke waarden en 40 procent vastrentende waarden. Wordt daarentegen een daling van de beurzen verwacht, dan is een defensievere asset allocatie verstandiger, in dit voorbeeld 40 procent zakelijke waarden en 60 procent vastrentende waarden.
Het percentage zakelijke en vastrentende waarden, ofwel de asset allocatie, bepaalt dus het verwachte risico en rendement van de beleggingsportefeuille. In de praktijk onderscheiden we vaak vijf beleggingsprofielen. In totaal zal de combinatie zakelijke en vastrentende waarden 100 procent zijn. Belangrijk hierbij op te merken is dat in de praktijk individuele beleggingsondernemingen waaronder banken en vermogensbeheerders in bepaalde mate zullen afwijken van de in figuur 1 opgenomen verdeling.Read more
De valkuilen bij het bepalen van de beleggingshorizon
Publicatie verschenen in Vakblad Financiële Planning (VFP 2020), januari 2020, door Ramon Wernsen
De financiële planningshorizon van een persoon of huishouden speelt een belangrijke rol binnen het financieel plan. Deze is zowel belangrijk voor de invulling van de asset allocatie op het gebied van beleggingen als bij het nemen van andere financiële beslissingen waaronder het overdragen van vermogen. Hiermee is de financiële planningshorizon breder dan de beleggingshorizon. In dit artikel staat de beleggingshorizon centraal en dan vooral de valkuilen bij het bepalen ervan.
Beleggingshorizon en asset allocatie
Binnen de discussie over tijdsdiversificatie speelt de beleggingshorizon een belangrijke rol. Er zijn meerdere definities van de term beleggingshorizon. Wanneer we de verschillende definities terugbrengen tot een bruikbare definitie dan is het de maximale periode dat uw klant kan beleggen zonder dat hij het geld nodig heeft voor andere doelen.
Kortom, de beleggingshorizon is de periode tussen de startdatum en het moment waarop een klant zijn beleggingsdoelstelling wil verwezenlijken. De beleggingshorizon is vaak lang. Met het aflossen van een hypotheek of het opbouwen van een aanvullend pensioen is een groot bedrag gemoeid dat door de meeste klanten alleen maar over een lange periode kan worden opgebouwd.
Een lange beleggingshorizon heeft bijvoorbeeld de belegger van 40 jaar oud die als doel heeft te kunnen stoppen met werken als hij 55 jaar oud is. Wie echter op de leeftijd van 50 jaar het beleggingsdoel nastreeft om met 55 jaar te kunnen stoppen met werken, heeft een veel kortere beleggingshorizon. De lengte van de beleggingshorizon is dus afhankelijk van de termijn waarop het gestelde beleggingsdoel moet zijn gerealiseerd. In hun vragenlijsten maken adviseurs vaak gebruik van de volgende beleggingstermijnen.
- tot 1 jaar zeer kort
- 1 jaar tot 5 jaar kort
- 5 tot 10 jaar middellang
- meer dan 10 jaar lang
Hoe langer de beleggingshorizon hoe meer punten de belegger krijgt en hoe offensiever – lees meer in aandelen – deze mag beleggen op basis van het profiel. Dit alles op basis van de beleggingstheorie dat beleggen in aandelen minder risicovol wordt als de horizon langer is.Read more
