Ramon Wernsen

Manier van risicoprofiel vaststellen is achterhaald

Interview gegeven voor InvestmentOfficer (jan. 3, 2021, voorheen FondsNieuws) Door Lenneke Arts - Vandaag I Vermogensbeheer

De uitgangspunten waarmee banken en vermogensbeheerders risicoprofielen vaststellen, zijn achterhaald. Ze sluiten aan op de oude wereld en veroorzaken grote doelrisico's bij klanten.

Dat zeggen Robert van Beek, Ronald Janssen en Ramón Wernsen in een interview met Fondsnieuws. Ze doen de uitspraken op basis van onderzoek voor hun boek Goals-Based Investing. Banken en vermogensbeheerders werken volgens de schrijvers met slechts één vragenlijst, die enkele tot tientallen jaren oud is. Die zijn daardoor "hopeloos verouderd", aldus de auteurs. En heel algemeen van aard. Vaak gaat in hun ervaring slechts één vraag over het doel, en de rest van de vragen over beleggen en/of het product. Het gevolg hiervan is volgens de drie dat een klant vaak in het verkeerde risicoprofiel terechtkomt. Of één risicoprofiel aangemeten krijgt, terwijl hij meerdere verschillende beleggingsdoelen heeft.

Read more


De historische en toekomstige woning- en hypotheekmarkt (deel 2, slot)

Publicatie verschenen in De Hypotheekadviseur (DHA 2021), nummer 6-2021, door Ramon Wernsen en Iris Aben

In deel 1 van dit artikel zijn wij ingegaan op het eigenwoningbezit en de eigenwoningschuld in ons land ten opzichte van andere landen binnen de Europese Unie (EU). Verder zijn wij ingegaan op de rol die de eigen woning speelt in de vermogenspositie van Nederlanders. Ook is de gemid- delde nominale en reële waardeontwikkeling van woningen, alsook die van de hypotheekrente gedurende de periode 1976-2021 in kaart gebracht. Tot slot hebben wij betoogd dat de lage ren- te van nu niet ongewoon is, maar normaal.

Dit artikel is het vervolg op deel 1. Aan bod komt allereerst de vraag waarom mensen een voorkeur hebben om de rente lang vast te zetten, dit onge acht de hoogte van de rente. Ten tweede wordt inzichtelijk gemaakt dat de verhouding tussen mo- daal-inkomen en de waarde van woningen volledig uit de pas is geraakt. Ten derde gaan wij in op de lagere hypotheekrenteaftrek en de be- richten om de eigenwoningschuld eerder te ver- plaatsen naar box 3. Ten vierde gaan wij in op het onderzoek van De Nederlandse Bank die stelt dat huizenkopers vaak veel lagere woonuitgaven heb- ben dan huurders. Wij stellen hiertegenover dat huizenkopers ook meer risico’s lopen. Om deze reden zou het naar onze mening onrechtvaardig zijn om de hypotheek al snel van box 1 naar box 3 te verhuizen. Tot slot geven wij aan dat voor een kleine groep mensen een box 3-hypotheek wel aantrekkelijk kan zijn.

Read more


'Verroompottisering' van Nederland: helft recreatiegebied in handen van grote investeerders

Publicatie verschenen op radar.avrotros.nl (nov. 5, 2021)

De vier grootste vakantieketens Roompot, EuroParcs, Centerparcs en Landal Greenparcs verspreiden zich als een olievlek over de Nederlandse campings. In de zomer van 2021 is Radar samen met Follow the Money een onderzoek gestart naar campings over heel Nederland die in handen komen van veelal buitenlandse investeerders. Over deze ‘verroompottisering’ van dit belangrijke deel van de Nederlandse recreatiesector maken veel Nederlanders zich zorgen. Dat blijkt uit de honderden reacties die Radar heeft ontvangen na een oproep in de uitzending van 20 september. Stacaravans, chalets en huisjes, ze moeten wijken voor luxe vakantiewoningen. En de nieuwe eigenaren? Die draaien op voor de risico’s.

Follow the Money focust zich in het eerste deel van hun onderzoek op Zeeland, de bakermat van Roompot. De afgelopen vijf jaar zijn daar al 1.336 jaarplaatsen opgezegd door de komst van deze vakantieketen. Niet alleen in Zeeland, maar ook daarbuiten, komen de parken in handen van Roompot – gevoed met kapitaal van één van de grootste durfkapitalisten van Wallstreet, het Amerikaanse KKR.

Alleen Europarcs heeft nog een Nederlandse eigenaar. Landal is van het Amerikaanse Platinum Equity en Center Parcs valt onder het Franse Pierre & Vacances.

Read more


De historische en toekomstige woning- en hypotheekmarkt (deel 1)

Publicatie verschenen in De Hypotheekadviseur (DHA 2021), nummer 5-2021, door Ramon Wernsen en Iris Aben

In dit artikel gaan wij allereerst in op het eigenwoningbezit en de eigenwoningschuld in ons land ten opzichte van andere landen binnen de Europese Unie (EU). Ten tweede gaan wij in op de rol die de eigen woning speelt in de vermogenspositie van Nederlanders. Ten derde laten wij de gemiddelde nominale en reële waardeontwikkeling zien van woningen, alsook die van de hypotheekrente gedurende de periode 1976-2021. Tot slot bespreken wij waarom de lage rente van nu niet ongewoon is, maar normaal.

Eigenwoningbezit in vergelijking EU

Het eigenwoningbezit in ons land is de afgelopen decennia flink gestegen. Van zo’n 40 procent in 1982 naar ruim 60 procent in 2015.1 Op dit moment is het eigenwoningbezit gestegen naar ongeveer 70 procent op dit moment.2 Dit klinkt hoog, maar is het niet. Ons land begeeft zich binnen de Europese Unie hiermee op plaats 22. Vooral in de voormalige Oostbloklanden is het eigenwoningbezit hoog. Koploper is Roemenië, hier woont bijna 97 procent van de bevolking in een eigen woning. In de (grotere) West-Europese landen, zoals Frankrijk en Duitsland is het woningbezit nog lager dan in ons land.

Begin 2021 waren er 8 miljoen particuliere huishoudens in Nederland, waarvan 3,1 miljoen eenpersoonshuishoudens. Gemiddeld wonen er 2,14 mensen in een Nederlands huishouden, in 1961 was de gemiddelde huishoudensgrootte nog 3,54. Door deze zogenaamde ‘huishoudensverdunning’ is het aantal huishoudens veel sneller gegroeid dan de bevolking. Doordat het aantal huishoudens sterk is gestegen betekent dit ook dat er meer, maar vooral ook betaalbare woningen nodig zijn. Het aantal mensen dat in Nederland alleen woont, neemt al sinds de jaren zeventig toe. Alleenwonenden zijn relatief vaak twintigers, maar boven de zeventig is de kans om zonder anderen te wonen het grootst. Dat geldt vooral voor vrouwen, die vaker later overlijden dan hun partner.3 Dit komt enerzijds omdat vanaf de geboorte vrouwen ongeveer een drie jaar langere levensverwachting hebben dan mannen, anderzijds omdat mannen bij het eerste huwelijk gemiddeld 2,5 jaar ouder zijn dan hun vrouw (34,4 jaar versus 31,9 jaar).4, 5 Al met al overleven vrouwen hun mannelijke partner gemiddeld genomen statistisch met ruim vijf jaar.
Read more


Einde jubelton in zicht?

Publicatie verschenen op pensioenvanmorgen.nl (sept. 7, 2021)

Op 30 juni jongstleden heeft staatssecretaris Vijlbrief van Financiën de door SEO Economisch Onderzoek opgestelde evaluatie met als titel: ‘schenkingsvrijstelling eigen woning: hulp voor huiseigenaren met vermogende ouders’, aangeboden aan de Tweede Kamer. De centrale vraag is in hoeverre de regeling nog doeltreffend en doelmatig is. De vervolgens grote vraag is of dit evaluatierapport leidt tot het einde dan wel tot een beperking van de schenkingsvrijstelling eigen woning?

Alvorens in te gaan op het evaluatierapport, eerst nog even de belangrijkste ins en outs voor wat betreft de schenkingsvrijstelling eigen woning op een rij.

Sinds 2010 geldt er in de Successiewet een schenkingsvrijstelling eigen woning. De vrijstelling startte destijds met 50.000 euro.1 Sinds 2017 heeft de overheid structureel deze schenkingsvrijstelling verhoogd van 53.016 euro (2016) naar 100.000 euro (2017). Deze vrijstelling is door indexaties inmiddels verhoogd naar 105.302 euro (2021). Volgens een uitspraak van de staatssecretaris tijdens de parlementaire behandeling mag de vrijstelling worden gesplitst in een bedrag van 78.421 euro (2021) voor de aanschaf van een eigen woning en een bedrag van 26.881 euro (2021) voor andere doeleinden, bijvoorbeeld inboedel.2

Iedereen tussen 18 en 40 jaar kan eenmalig (per schenker) deze schenking ontvangen.3 Sinds 2017 is het mogelijk dat de schenker het bedrag over drie jaren verspreid.4 Verder was tot en met 2016 de vrijstelling beperkt tot schenkingen van ouders aan kinderen. Deze beperking is in 2017 opgeheven. Als in het verleden de verhoogde vrijstelling al is gebruikt, wordt de vrijstelling beperkt.5

Afhankelijk van relatie tussen schenker en verkrijger, bespaart dit deze laatste minimaal 10 en maximaal 30 procent aan schenkbelasting.6 Ofwel - uitgaande van de maximale schenking - minimaal 10.530 euro en maximaal 31.590 euro. Tegenover dit belastingvoordeel staat wel de voorwaarde dat het geschonken bedrag door de ontvanger moet worden aangewend voor zijn eigen woning.7

Read more


Leven met lijfrentes in een renteloze wereld vraagt om doorbeleggen (deel 2, slot).

Publicatie verschenen in De Hypotheekadviseur (DHA 2021), nummer 4 2021 (juli 2021), door Ramon Wernsen

Uw klanten die beschikken over een of meerdere lijfrentes ontvangen op dit kapitaal vaak een zeer lage rente of streven via beleggen naar een hoger rendement en hiermee dito uitkering. Voor het opgebouwde lijfrentekapitaal moet in de toekomst een levenslange en/of tijdelijke lijfrenteuitkering worden aangekocht. Tot enkele jaren terug werd vaak gekozen om de uitkeringen vast en gelijkmatig aan te kopen tegen een vaste rente. Doorbeleggen was minder populair. Door de huidige lage reële rente lijkt doorbeleggen inmiddels logischer dan ooit.

Belangrijke variabelen lijfrente

Belangrijke variabelen die van invloed zijn op een lijfrente, zijn de volgende:

  • rente en rendement in opbouw- en uitkeringsfase;
  • inflatie in opbouw- en uitkeringsfase;
  • belastingdruk in opbouw- en uitkeringsfase;
  • wel of geen invloed van sterftetafels;
  • wettelijke regels en nog onvoorziene wijzigingen;
  • productaanbod;
  • realiseren (inkomens)doel van de klant!

Rente en rendement in opbouw- en uitkeringsfase

Zoals gezegd bestaan lijfrentes al vele honderden jaren. Het rendement op de koopsom en de uiteindelijke uitkering wordt bepaald door de (reken) rente. Hoe hoger de rente, hoe beter. Echter om een goede vergelijking te maken moet rekening worden gehouden met inflatie. Immers dit leidt tot een reëel rendement (nominale rente minus inflatie). In figuur 4 ziet u over de afgelopen 700 jaar een onmiskenbaar dalende trend in de reële rente. Bedroeg in 1311 de rente nog gemiddeld 12,02 procent, in 2018 was deze nog maar 0,78 procent. Al met al een gemiddelde daling van 1,59 procentpunt per eeuw. Dit komt neer op gemiddeld tussen de 1,5 en 2 basispunten per jaar.1

Read more


In welke box vermogen opbouwen voor je oude dag

Interview met Ramon Wernsen verschenen op www.vermogensbeheer.nl (juni 29, 2021)

Steeds meer mensen bouwen vermogen op, zodat ze na hun pensionering wat meer financiële armslag hebben. Ze doen dit naast het pensioen via de werkgever. Voor zzp’ers is de urgentie nog groter, omdat zij de pensioenopbouw via de werkgever missen. Na je pensionering is het prettig als je een soort van ‘pensioen’ hebt opgebouwd. Maar hoe zit dit fiscaal en wat is verstandig? In welke box moet je dit kapitaal ‘parkeren’? Financieel planner Ramón Wernsen van Vermogensbeheer.nl geeft uitleg.

Hoe kijk jij aan tegen de stijgende behoefte aan het opbouwen van vermogen voor later?

“Je moet hierbij onderscheid maken tussen heel veel verschillende groepen mensen en de reden waarom ze vermogen opbouwen. Het kan ook zijn dat ze al vermogen opbouwen en zeggen: ik wil dat het meer wordt.”

Bijvoorbeeld zzp’ers?

“Zzp’ers bouwen inderdaad geen pensioen op via een werkgever-werknemer relatie. Dus ze moeten zelf iets doen aan hun oude dag. Op een bepaald moment stop je een keer met werken. Je hebt zzp’ers die nauwelijks kunnen rondkomen en daardoor niks overhouden van hun inkomsten. Maar er zijn ook zzp’ers die doteren aan de oudedagsreserve. Dat is een fiscaal trucje om de belasting uit te stellen. Er staat iets op je balans, maar dan moet je er ook nog rendement op maken. Een volgende stap zou kunnen zijn om dit om te zetten in een lijfrente.”

Je hebt het nu, fiscaal gezien, over box 1?

“Dit kan in box 3 zitten, maar 95 procent van de lijfrentes zit in box 1. Dat is dus wel de meest voor de hand liggende box. De premie die je betaalt, is fiscaal aftrekbaar. Maar in de toekomst ligt er wel een fiscale claim op. Het is dus eigenlijk het uitstellen van het betalen van belasting.

Read more


Doorbeleggen binnen lijfrente- en pensioenproducten: luxe of bittere noodzaak?

Publicatie verschenen in Vp-bulletin 2021/27, nummer 6 2021 (juni 2021), door Ramon Wernsen

Sinds een aantal jaar hebben wij te kampen met een zeer lage reële rente. Hieronder wordt verstaan de nominale rente minus de inflatie. Dit is prettig waar het gaat om schulden, zoals de hypotheek. Een lage re le rente is daarentegen minder prettig waar het gaat om bezittingen, zoals spaargeld en oudedagsvoorzieningen als lijfrentes en pensioen. Voor wat betreft lijfrentekapitalen is het al vele jaren mogelijk om deze ‘door te beleggen’ in de uitkerende fase. Waar het pensioenkapitaal op basis van een beschikbare premieregeling (defined contributionregelingen) betreft is dit doorbeleggen sinds 1 september 2016 mogelijk op basis van de Wet verbeterde premieregeling. Het principe van doorbeleggen zal als gevolg van het pensioenakkoord binnen enkele jaren ook van toepassing worden op pensioenen welke vallen onder de noemer middelloonregelingen welke van toepassing is op de meeste werknemers in ons land.

1. Inleiding 

De beroemde Deense filosoof Kierkegaard bracht het ultieme probleem van de mens al in de 19e eeuw treffend onder woorden: ‘er moet voorwaarts worden geleefd, maar het leven kan pas achteraf worden begrepen’. Hetzelfde geldt voor diegenen die nu een afweging moeten maken of zij hun pensioen- of lijfrentekapitaal moeten doorbeleggen of toch moeten kiezen voor een lage, maar wel gegarandeerde (vaste) rente in de uitkeringsfase. 

U zult pas achteraf weten of u een goede keuze hebt gemaakt of niet. Dit probleem is niet nieuw, maar al eeuwenoud. Immers, in de geschiedenis van rente en beleggen is er een constante: de angst van mensen voor het verliezen van geld en de zekerheid dat beleggingsrendementen zullen afwijken van de verwachting, zowel in positieve als in negatieve zin. Daar komt bij dat verlies ruim twee keer sterker voelt dan winst. Veel mensen zijn verliesavers en willen verliezen dan ook zoveel mogelijk vermijden. 

Belangrijker is het echter om u niet te focussen op het middel – uw lijfrentepolis of pensioenproduct – maar op uw doelstelling. Voor de meeste mensen geldt dat zij, ook nadat zij gestopt zijn met werken, hun levensstijl en daarmee gepaarde uitgavenpatroon het liefst zo lang mogelijk willen voortzetten. 

Read more


Leven met lijfrentes in een renteloze wereld vraagt om doorbeleggen (deel 1)

Publicatie verschenen in De Hypotheekadviseur (DHA 2021), nummer 3 2021 (juni 2021), door Ramon Wernsen

Uw klanten die beschikken over een of meerdere lijfrentes ontvangen op dit kapitaal vaak een zeer lage rente of streven via beleggen naar een hoger rendement en hiermee dito uitkering. Voor het opgebouwde lijfrentekapitaal moet in de toekomst een levenslange en/of tijdelijke lijfrente-uitkering worden aangekocht. Tot enkele jaren terug werd vaak gekozen om de uitkeringen vast en gelijkmatig aan te kopen tegen een gegarandeerde vaste rente. Deze optie werd tot enkele jaren terug vaak niet gekozen, echter door de huidige lage re le rente lijkt deze optie van ‘doorbeleggen’ logischer dan ooit. Dit artikel bestaat uit twee delen. In deel 1 hierna wordt ingegaan op de geschiedenis van lijfrentes, de wettelijke kaders, en het verschil tussen het oude en nieuwe fiscale regime. In het volgende nummer zal deel 2 aan bod komen. Hierin komen aan bod: de belangrijkste variabelen welke van invloed zijn op het lijfrentekapitaal, het belang van inflatie in zowel de opbouw- als de uitkeringsfase, unit linked en universal life, de historische en verwachte (re le) rendementen in de opbouw- en uitkeringsfase op basis van garantie en doorbeleggen en tot slot een praktijkcasus waarin het principe van doorbeleggen van het lijfrentekapitaal wordt toegepast.

De beroemde Deense filosoof Kierkegaard bracht het ultieme probleem van de mens al in de 19e eeuw treffend onder woorden: ‘er moet voorwaarts worden geleefd, maar het leven kan pas achteraf worden begrepen’. Hetzelfde geldt voor uw klanten die nu een afweging moeten maken of zij hun lijfrentekapitaal moeten doorbeleggen of toch moeten kiezen voor een lage (variabele) rente in de opbouwfase en een gegarandeerde (vaste) rente in de uitkeringsfase. Uw klanten zullen pas achteraf weten of zij een goede keuze hebben gemaakt of niet. Dit probleem is niet nieuw, maar al eeuwenoud. Immers in de geschiedenis van rente en beleggen is er een constante: de angst van mensen voor het verliezen van geld en de zekerheid dat beleggingsrendementen zullen afwijken van de verwachting, zowel in positieve als in negatieve zin. Goed om uw klanten te laten weten is dat het onmogelijk is om een bovengemiddeld rendement te behalen als hier niet af en toe negatieve rendementen tegenover staan. Belangrijker is het echter om uw klant te wijzen op zijn doelstelling. De kans is groot dat deze nu en ook na zijn pensioen liever niet wil besparen op zijn levensstijl. Als adviseur moet u laten zien welk rendement en dus ook risico hiervoor nodig is. In dit artikel zal dit worden toegelicht aan de hand van een voorbeeld.

Geschiedenis

De term lijfrente is al eeuwen oud. Al vele honderden jaren heeft ons land geld nodig voor onder andere het voeren van oorlogen. De benodigde som geld leende de overheid op de toenmalige kapitaalmarkt. Hierbij waren in die tijd twee systemen gebruikelijk: losrentes (vergelijkbaar met een obligatie of schuldbrief) en lijfrentes. In het geval van een lijfrente maakte de uitlener in die tijd een bedrag over aan de lener (de overheid) en wees daarnaast iemand (het lijf) aan. Dit was meestal een jong kind. De overheid betaalde dan rente aan de uitlener, zijn nabestaanden of eventueel aan een andere persoon die door de uitlener werd aangewezen. Deze uitkering duurde voort totdat het aangewezen lijf kwam te overlijden. Het was ook mogelijk om tegen een hogere inleg lijfrentes af te sluiten op twee lijven, waarbij de rente doorliep totdat beide lijven waren overleden. Het systeem van lijfrentes kon aantrekkelijk zijn voor de uitlener omdat deze een hogere rente ontving en dit hopelijk gedurende een lange tijd (immers het lijf kon 6 of 26 jaar worden, maar mogelijk ook 46 jaar of ouder, zie figuur 1). Read more


CFP-Professional belangrijkste beroep van de 21-ste eeuw

Publicatie FFP (2021) door Ramon Wernsen

Op 12 december 1969 kwamen dertien Amerikaanse financieel adviseurs bij elkaar in Chicago en spraken daar voor het eerst over wat nu wereldwijd bekend staat als financial planning. Nu ruim 50 jaar later zijn er meer dan 190.000 CFP-Professionals actief in 27 landen.

Nieuwsgierigheid loont

Zelf kwam ik midden jaren 90 voor het eerst in aanraking met financiële planning en kort daarna met de titel CFP. Dit kwam omdat ik veel boeken over financiële planning heb gelezen die geschreven zijn door auteurs met de titel CFP. Boeken die mijn kijk op financiële planning al in een vroeg stadium hebben beïnvloed. Niet zo zeer financiële producten waren belangrijk, maar het praten met klanten over hun diepste wensen, verlangens, dromen en angsten.

Toonaangevende CFP-Professionals leerden mij al in een vroeg stadium dat het geheime wapen van een financieel planner is het kunnen voeren van een goede inhoudelijke dialoog: nieuwsgierig zijn naar het leven van de klant. Een financieel planner zou in eerste instantie nieuwsgierig en belangstellend moeten zijn in de persoon achter de cijfers, ofwel ‘wie bent u?’. De boodschap die een financieel planner moet uitstralen is die van: ‘ik moet u eerst leren kennen, wil ik u van goed advies kunnen voorzien en om een lange termijn relatie met u op te bouwen’.

‘Actief kunnen luisteren is een belangrijke eigenschap voor financieel planners waarmee ze zich kunnen onderscheiden’

Tijdens de kennismaking is het belangrijkste doel om vertrouwen te creëren. Een goede vraag in deze fase is: “Wanneer is onze relatie een succes voor jou?”. Probeer de klant daarna minimaal 75 procent van de tijd aan het woord te laten en beperk jezelf tot de overige 25 procent. Verder is het actief kunnen luisteren een belangrijke eigenschap voor financieel planners waarmee ze zich kunnen onderscheiden. Als het op doelstellingen aankomt, dan is het belangrijk om de klant zich een voorstelling te laten maken van het doel. Zo kun je een klant beter vragen zijn ideale pensioen te beschrijven dan te vragen wanneer hij met pensioen wil.

Read more