Publicatie vakblad De Hypotheekadviseur (VFP 2020), nr. 2/ 2021, door Ramon Wernsen
Ieder jaar wijzigen onze wetten, regels en belastingtarieven. 1 januari is daarom een belangrijke datum voor u als adviseur en uw klanten. Het is mogelijk om zowel in box 1, 2 en 3 als daarbuiten vermogen op te bouwen. Elke fiscale box heeft zo zijn voor- en nadelen. In dit artikel en in het vorige nummer (deel 1) komen de belangrijkste wijzigen aan bod met betrekking tot de boxen 1, 2 en 3, alsook de voor- en nadelen van de betreffende fiscale boxen.
Box 2: (spaar)bv, vbi en (open)fonds gemene rekening
In deel 1 (DHA 2021/9) is al aangegeven dat één van de voordelen van vermogen opbouwen in box 2 is dat dit vermogen niet meetelt voor de vermogenstoets welke geldt voor bepaalde toeslagen en uitkeringen. Maar uiteraard zijn er meer voordelen. Een belangrijk voordeel is dat het box 2-vermogen niet meetelt voor de forfaitaire belastingheffing in box 3. In box 2 wordt niet een fictief, maar in beginsel het werkelijke rendement belast met vennootschapsbelasting. Stel dat uw klant samen met zijn fiscale partner een box 3-vermogen heeft van € 1 miljoen dat opeen spaarrekening staat tegen een negatieve rente van 0,5%. Per peildatum 1 januari 2021 is over dit vermogen € 11.750 vermogensrendementsheffing verschuldigd. In een percentage uitgedrukt is dit 1,18%. Ofwel uw klant heeft een rendement gemaakt van -1,68%. Houden we ook nog rekening met 1,7% inflatie dan bedraagt het reële rendement -3,38%. Wanneer de klant besluit om dit vermogen over te hevelen naar een spaar-bv dan is 15% vennootschapsbelasting verschuldigd over het werkelijke rendement. Dit betekent in dit voorbeeld nihil. Zodoende komt het rendement uit op 0% en reëel -1,7%. Al met al een besparing van 1,68% ofwel € 16.800.
Tot een winst van € 245.000 bedraagt het tarief 15%, daarboven geldt een tarief van 25%.1 Het lage vennootschapstarief (vpb) is daarmee met 1,5% verlaagd ten opzichte van vorig jaar. Bovendien is dit tarief van toepassing tot een winst van € 245.000 in plaats van € 200.000 in de afgelopen jaren. Met name het lage vennootschapsbelastingtarief maakt box 2 aantrekkelijk ten opzichte van de tarieven in de andere twee boxen.
Het is dus mogelijk om door middel van box-hoppen de forfaitaire box 3-heffing met peildatum 1 januari 2021 te ontlopen door het aanwezige vermogen in box 3 te verplaatsen naar een (spaar)bv, vbi of (open)fonds gemene rekening. Wel moet hierbij rekening gehouden worden met de antimisbruikbepaling welke bepaalt dat vermogensoverdracht van box 3 naar box 2 en weer terug mogelijk is, maar dat hierbij wel de minimale termijn van 6 maanden in acht moet worden genomen.2 Deze termijn van een half jaar geldt voor de bv en het (open)fonds voor gemene rekening. Voor de vrijgestelde beleggingsinstelling (vbi) is deze termijn sinds 2016 minimaal 18 maanden.3
Het gebruikmaken van de termijn van 6 maanden is zinvol omdat dan de peildatum voor box 3 wordt ontlopen en dat slechts een half jaar belasting in box 2 hoeft te worden betaald in plaats van over een geheel jaar. Dit klinkt mooi en dat is het ook, uiteraard moeten hier de kosten wel tegen de baten opwegen.
Welke van de genoemde opties spaar-bv, vbi of (open)fonds gemene rekening is nu het voordeligste? Laten we ze alle drie kort bespreken.
Spaar-bv
Zolang niet het werkelijke rendement in box 3 wordt belast en uw klant op zijn gelden bijna geen rendement maakt is de bv een betere oplossing. In de bv betaalt hij namelijk 15% vennootschapsbelasting over het werkelijke rendement. Als dit rendement laag is, dan hoeft uw klant ook weinig belasting te betalen.
De oprichting van een spaar-bv moet via een notaris verlopen.4 De bv wordt in de Kamer van Koophandel ingeschreven en er moet een bankrekening op naam van de bv worden geopend. Vervolgens kan het box 3-vermogen worden gestort op de rekening welke op naam van de bv staat. Als uw klant al een bv heeft kan ook besloten worden om het aandelenkapitaal van die bv te verhogen.
De bv kan de 85% nettowinst – de rente/rendement minus belasting – aan uw klant als dividend uitkeren. Dat kost uw klant 26,9% aanmerkelijkbelangheffing (box 2-heffing). De box 2-heffing (aanmerkelijk belang) is dit jaar gestegen van 26,25 naar 26,9%. Het gestorte box 3-vermogen dat gebruikt is ter volstorting van het aandelenkapitaal kan uw klant te allen tijde belastingvrij door de bv laten terugbetalen. Uw klant moet dan wel langs de notaris, ook bij de terugbetaling van agio, en bij die terugbetaling moet het wettelijk verplichte minimum aandelenkapitaal in stand blijven. Een minpunt van deze oplossing vormen de kosten voor de oprichting en instandhouding van een bv. Het oprichten van een bv kost rond de € 500, de jaarlijkse kosten van instandhouding zijn bescheiden als uw klant zelf de cijfers van uw spaar-bv op een rijtje kan zetten. Een uitgebreide jaarrekening is vanaf 2016 niet meer nodig.
Tbs beter dan agio?
Bekeken moet worden of het beter is geld uit te lenen aan de bv, in plaats van het storten van aandelenkapitaal in de bv. Dit wordt ter beschikking stellen (tbs) genoemd. Uitlenen van geld aan een bv waarin uw klant een belang van minstens 5% bezit wordt belast in box 1. De rente die uw klant van zijn bv ontvangt moet hij optellen bij zijn overige box 1-inkomen. Hierbij blijft 12% van de ontvangen rente vrijgesteld op basis van de tbs-vrijstelling.5 Zodoende komt de maximale belastingdruk uit op 43,56% in plaats van 49,5% (0,88 x 49,5%). Vanaf 1 januari 2020 behoort de tbs-vrijstelling tot de grondslag-verminderende posten ten aanzien waarvan het belastingvoordeel in de hoogste tariefschijf vanaf 2020 jaarlijks wordt verminderd totdat de aftrek nog slechts plaatsvindt tegen het basistarief van ongeveer 37%. In 2021 vindt aftrek tegen maximaal 43% plaats.6
Omslagpunten box 3 versus bv
Berekend kan worden het omslagpunt of het aantrekkelijk is om vermogen op te bouwen in box 3 of in de spaar-bv. Dit hangt namelijk af van het verwachte rendement. Hoe lager het verwachte rendement, hoe voordeliger het is om het vermogen in een bv onder te brengen. Bedraagt het verwachte rendement hoger dan het omslagpunt dan kan het vermogen beter in box 3 worden belegd. De omslagpunten zijn te berekenen door de box 3-belastingdruk te delen door die in box 2 (cumulatief lage vpb-tarief plus box 2). Voor de laagste box 3-vermogens tot € 50.000 boven de vrijstelling is dit omslagpunt 1,56% (0,589%/37,86%), voor de box 3-vermogens tussen de € 50.000 en € 950.000 bedraagt het omslagpunt 3,68% (1,395%/37,86%) en voor de box 3-vermogens boven de € 950.000 bedraagt het omslagpunt 4,66% (1,7639%/37,86%).
(Open)fonds gemene rekening (ofgr)
Een alternatief voor de bv is een open fonds voor gemene rekening.7 Dit is in tegenstelling tot de bvjuridisch geen entiteit, uw klant heeft dan ook geen notaris nodig voor oprichting. De ofgr is zodoende flexibeler en goedkoper dan de bv. Wel moet er een tweede aandeelhouder zijn welke een belang van minimaal 10% houdt.
Het fonds ontstaat door het aangaan van een overeenkomst tussen participanten, een beheerder en een bewaarder. Het fonds heeft als doel de collectieve belegging van vermogen dat participanten inbrengen. In ruil voor het vermogen geeft het fonds participaties uit.
Van een zogenoemd open fonds voor gemene rekening is sprake, wanneer de participaties vrij verhandelbaar zijn. Dat wil zeggen dat voor de vervreemding van de participaties niet de toestemming van alle participanten nodig is.
Een open fonds voor gemene rekening is belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting.8 Deze vennootschapsbelasting kan worden voorkomen door de ofgr aan te laten merken als vbi.
Vrijgestelde beleggingsinstelling (vbi)
Een alternatief voor de bv is dus om het vermogen te storten in een (open)fonds voor gemene rekening (ofgr). Hierbij kan worden overwoge om deze door de belastingdienst aan te laten merken als vrijgestelde beleggingsinstelling (vbi). Het woord ‘vrijgesteld’ slaat op vrijgesteld van vennootschapsbelasting. Een vbi moet aan diverse voorwaarden voldoen. Zo mag een vbi geen bv zijn, maar moet deze een nv of (open)fonds voor gemene rekening (ofgr) zijn. Verder moet een vbi minimaal twee aandeelhouders hebben, waarbij de eerste aandeelhouder een belang van maximaal 90% mag hebben. Aan deze eis kan worden voldaan door bijvoorbeeld de partner tweede aandeelhouder te maken. Voorwaarde is hierbij wel dat beide partners getrouwd moeten zijn op huwelijkse voorwaarden. Ook is het mogelijk om een of meerdere meerderjarige kinderen medeaandeelhouder te maken. Daarnaast moet een vbi beleggen in financiële instrumenten welke zijn geformuleerd in de Wet op het Financieel Toezicht (Wft). Dit betekent dat beleggen in fysiek vastgoed, onderhandse leningen en niet-beursgenoteerde effecten niet is toegestaan. Via de bv is dit alles wel toegestaan, aangezien hier volledige beleggingsvrijheid bestaat.
De vbi is door een wetswijziging sinds 2017 minder interessant. Op het niveau van de vbi is weliswaar een vrijstelling van vennootschapsbelasting van toepassing, maar over de waardestijging van de aandelen/ vermogen wordt een latente box 2-claim opgebouwd. Om te voorkomen dat deze claim naar de verre toekomst wordt doorgeschoven is er een forfaitaire rendementsregeling in box 2 van toepassing. Op basis hiervan moeten de aandeelhouders jaarlijks een forfaitair rendement opgeven welke gelijk is aan het hoogste tarief in box 3, te weten voor dit jaar 5,69%. Belast tegen het box 2-tarief van 26,9% betekent dit over dit jaar een belastingdruk van 1,53%. Deze belastingdruk heeft uiteraard een negatief effect op de vermogensopbouw. Afhankelijk van het verwachte rendement kan een vbi nog interessant zijn.
Omslagpunten box 3 versus vbi
Ook hier kan het omslagpunt worden berekend vanaf welk rendement het aantrekkelijk is om vermogen op te bouwen in box 3 of via een ofgr met vbi-status. Doordat de belastingdruk beperkt is tot de box 2-heffing liggen de omslagpunten hoger dan die bij de afweging beleggen in de bv of in box 3. De omslagpunten zijn te berekenen door de box 3-belastingdruk te delen door die in box 2 (box 2-tarief). Voor de laagste box 3-vermogens tot € 50.000 boven de vrijstelling is dit omslagpunt 2,19% (0,589%/26,9%), voor de box 3-vermogens tussen de € 50.000 en € 950.000 bedraagt het omslagpunt 5,19% (1,395%/26,9%) en voor de box 3-vermogens boven de € 950.000 bedraagt het omslagpunt 6,56% (1,7639%/26,9%).
Box 3
Box 3 is de box waarin het vermogen wordt belast: spaargeld, beleggingsgeld, een box 3-kapitaalverzekering, maar ook de waarde van huizen die niet de eigen woning zijn.9 Denk hierbij aan een vakantiewoning of een beleggingspand. Deze box 3 kent een heffingsvrij vermogen welke dit jaar is verhoogd van € 30.846 naar € 50.000. Heeft uw klant een fiscale partner, dan bedraagt de gezamenlijke vrijstelling tweemaal dit bedrag. Bij de belastingheffing gaat de Belastingdienst niet uit van het werkelijke rendement dat uw klant heeft behaald op zijn vermogen, maar van een fictief rendement. Deze fictieve rendementen zijn ten opzichte van vorig jaar verhoogd van 1,79% naar 1,9%, van 4,19% naar 4,5% en van 5,28% naar 5,69%.
Over deze fictieve rendementen is dit jaar 31% belasting verschuldigd, in de afgelopen jaren bedroeg dit tarief 30%. De hoogte van het fictieve rendement is afhankelijk van het totale vermogen. Het adagium van de overheid is: hoe meer vermogen, hoe meer rendement, hoe meer belasting.
In 2021 valt de eerste € 50.000 (fiscale partners dubbele bedrag) – boven de vrijstelling – aan vermogen in de eerste schijf. De mix in de eerste schijf bestaat uit 67% spaargeld en 33% beleggingen. Het forfaitair rendement in deze schijf bedraagt 1,9%. Zodoende komt de fiscale druk uit op 0,59% (1,9% x 31%).
De mix in de tweede schijf bestaat uit 21% spaargeld en 79% beleggingen. Het forfaitair rendement in deze schijf is voor dit jaar vastgesteld op 4,5%. Zodoende komt de fiscale druk uit op 1,4% (4,5% x 31%). In 2020 valt de volgende € 900.000 (fiscale partners dubbele bedrag) in de tweede schijf (€ 950.000 minus € 50.000).
De derde schijf is van toepassing op vermogens vanaf € 950.000 (fiscale partners dubbele bedrag). De mix in deze schijf bestaat geheel uit beleggingen. Het forfaitair rendement in deze schijf is in 2021 vastgesteld op 5,69%. De bijbehorende fiscale druk is 1,76% (5,69% x 31%).
Ten opzichte van vorig jaar betekent voorgaande dat fiscale partners met een box 3-vermogen van meer dan € 275.000 meer box 3-belasting gaan betalen.
Box 3-kapitaalverzekering, lijfrente of pensioen
Behalve in box 1 kan ook vermogen worden opgebouwd in de vorm van een box 3-kapitaalverzekering, dan wel een netto-lijfrente of nettopensioen.
Waar het een kapitaalverzekering betreft, moet onderscheid worden gemaakt tussen een kapitaalverzekering welke is vrijgesteld in box 3 tot een bedrag van € 123.428 (fiscale partners dubbele vrijstelling) en kapitaalverzekeringen welke wel in box 3 belast zijn. De vrijstelling geldt voor die verzekering welke is afgesloten voor 14 september 1999 en waarvan sindsdien de premie en het verzekerde kapitaal niet zijn verhoogd. Een kapitaalverzekering die aan de voorwaarden voldoet, valt onder het overgangsrecht.10 Dit overgangsrecht vervalt per 14 september 2029.
Het verschil tussen een netto-lijfrente en nettopensioen in box 3 met die in box 1 is dat de premies niet fiscaal aftrekbaar zijn. Hier staat tegenover dat het kapitaal niet belast is in box 3. Verder zijn de opgebouwde aanspraken vrijgesteld voor de erfbelasting.11 Voorgaande oplossing is vooral aantrekkelijk voor diegenen met een box 1-inkomen boven de maximale inkomensgrondslag van € 112.189 voor pensioen en lijfrente in box 1.
Box 3-schulden
De box 3-belasting kan worden voorkomen door het vermogen te structureren en onder te brengen in een BV of open fonds gemene rekening al dan niet met vb-status. Wanneer rendementen worden verwacht op het vermogen in box 3 die boven de omslagpunten uitkomen is het rekenkundig aantrekkelijk om in box 3 te beleggen. Een nadeel van box 3-beleggen is wel dat verliezen niet kunnen worden gecompenseerd. Dit is in box 2 wel mogelijk.
Nog een manier om de box 3-belasting te verlagen is door box 3-schulden te creëren. Dit is bijvoorbeeld mogelijk door een box 1-lening (eigenwoningschuld) bij de bank van vóór 2013 af te lossen uit eigen vermogen en deze vervolgens na enige tijd weer op te nemen. Op deze manier is het mogelijk om het causale verband tussen lening en schuld te verbreken.12 Daarnaast zijn er nog andere manieren om de hypothecaire lening van box 1 naar box 3 te krijgen. Vooral voor klanten met een hoog box 1-inkomen en veel box 3-vermogen kan het aantrekkelijk zijn om de lening naar box 3 te verhuizen. Dit levert meer rendement op, dan de beperkte hypotheekrenteaftrek in box 1. Conclusie is wel dat het eenvoudiger is om de fiscale verhuizing te laten plaatsvinden voor leningen van na 1 januari 2013 dan voor leningen van vóór deze datum. Ervan uitgaande dat de lening bij een bank wordt afgesloten zal vooraf moeten worden nagegaan of de betreffende bank wil meewerken aan de constructie en wat de kosten hiervoor zijn. Eenvoudiger is het om deze constructie toe te passen in combinatie met de eigen bv dan wel bij de familie.
Tot slot kan wanneer er een bv is, ook – tegen een relatief lage rente – worden geleend van deze vennootschap. Wel moet hierbij rekening worden gehouden met de uitwerking van de Wet excessief lenen bij eigen vennootschap.13 Deze wet is op 17 juni 2020 aangenomen en op basis hiervan moet vanaf 1 januari 2023 een fictieve winstuitdeling in aanmerking worden genomen voor zover de schulden van de aanmerkelijkbelanghouder (abhouder) en zijn partner aan de eigen vennootschap gezamenlijk meer bedragen dan € 500.000. Deze fictieve winstuitdeling is belast in box 2 van de inkomstenbelasting. Ab-houders hebben tot 31 december 2023 de tijd om te anticiperen op het wetsvoorstel.14
Conclusie
Het is mogelijk voor uw klanten om zowel in box 1, 2, 3 alsook buiten de fiscale boxen vermogen op te bouwen. De fiscale behandeling alsook de belastingdruk verschilt per box. Verder is het zo dat fiscaalvriendelijke oplossingen zoals box 1-lijfrentes, pensioenen en kapitaalverzekeringen minder flexibel zijn en aan maxima gebonden zijn. Vanuit het oogpunt van rendement kan het aantrekkelijk zijn om bij te storten in een kapitaalverzekering als hierop een gegarandeerd rendement kan worden gemaakt van 3% of meer. Ook kan worden overwogen om lijfrentes welke een laag rendement kennen om te zetten naar een beleggingslijfrente in zowel de opbouwfase als de uitkeringsfase.
Extra aflossen op de eigenwoningschuld betekent in feite beleggen in de stenen van de eigen woning. Vanuit het verleden is het rendement hierop lager dan op beleggen in aandelen. Gevoelsmatig kan dit voor uw klant echter beter voelen dan beleggen, alsook minder risicovol. Dit hogere inkomen kan weer worden ingezet om vermogen op te bouwen. Het vermogen in de stenen kan eventueel in de toekomst weer liquide worden gemaakt door het afsluiten van een verzilverhypotheek. Een verder niet onbelangrijk voordeel van aflossen zijn de lagere lasten wat leidt tot een hoger netto besteedbaar inkomen. In plaats van aflossen kan in sommige gevallen ook worden gekozen om meer te lenen op de woning en dit geld te beleggen met als streven meer rendement te maken dan de verschuldigde rente.
Het belang van de fiscale aftrek van de eigenwoningrente in box 1 wordt vaak overschat. Voor de eigenwoningschuld in box 1 geldt dat de fiscale aftrekbaarheid van de rente steeds verder terugloopt waardoor de nettolasten oplopen. Dit geldt vooral voor diegenen met een hoog inkomen, een lage hypotheekrente en een WOZ-waarde boven de € 1.110.000. Voor deze laatste groep is het aantrekkelijker om de lening in box 3 te hebben, als zij beschikken over veel box 3-vermogen waartegen de schuld kan worden afgezet. Uiteraard kan extra rendement behaald worden door een zo laag mogelijke rente te betalen op de lening. Mogelijk moet hiervoor een boeterente worden betaald. Voordeel is wel dat deze fiscaal aftrekbaar is. Wanneer u denkt dat de rente laag blijft, kan rendement worden behaald door de rentevaste periode kort te houden.
Vermogen opbouwen in box 2 in plaats van in de gebruikelijke box 3 kan aantrekkelijk zijn als de verwachte rendementen op dit vermogen lager zijn dan de omslagpunten. Uitgaande van de afweging tussen beleggen in box 3 of in een bv bedraagt het omslagpunt maximaal 4,66%. Uitgaande van een open fonds voor gemene rekening met vbi-status is dit omslagpunt 6,56%. Ofwel bij een hoger verwacht rendement dan het omslagpunt is beleggen in box 3 voordeliger. Hier staat wel het nadeel tegenover dat eventuele beleggingsverliezen in box 3 niet kunnen worden verrekend en in box 2 wel. Bij de genoemde omslagpunten geldt een beleggingsprofiel van minimaal neutraal tot (zeer) offensief. Dit moet wel passen bij de risicotolerantie en beleving van de klant. Een mogelijk bijkomend voordeel van vermogen opbouwen in box 2 is dat dit vermogen niet meetelt voor de vermogenstoets voor het vaststellen van bepaalde toeslagen en uitkeringen. In box 2 kan worden gekozen voor een bv of een open fonds voor gemene rekening al dan niet met vbi-status. Het open fonds voor gemene rekening is goedkoper en flexibeler dan de bv. Aan de vbi-status zitten diverse spelregels vast en sinds 2017 extra fiscale eisen waardoor deze mogelijk minder aantrekkelijk kan uitvallen.
Binnen box 3 bestaan diverse vrijstellingen. Een van de vrijstellingen is die voor het kapitaal opgebouwd in een box 3-kapitaalverzekering van vóór 14 september 1999 en voor een netto-lijfrente en pensioen. De eerdergenoemde verzilverhypotheek valt in box 3. Dit zal ook het geval zijn voor nog niet afgeloste eigenwoningschulden die de 30-jaarsperiode bereikt hebben. Vanwege de vaak beperkte aftrek in box 1 kan het aantrekkelijk zijn om de lening fiscaal te verhuizen naar box 3. Dit laatste is eenvoudiger voor leningen van na 2013, dan voor die van vóór 2013. Wanneer er een bv is, kan ook – tegen een relatief lage rente – worden geleend van deze vennootschap. Wel moet hierbij rekening worden gehouden met de uitwerking van de Wet excessief lenen bij eigen vennootschap die ingaat per 2023.
Voorts kunnen er vermogensbestanddelen aanwezig zijn die wel (latent) aanwezig zijn, maar onbelast zijn. Denk hierbij aan auto’s, kunstvoorwerpen, sieraden, maar ook aan vorderingen op een van de nog in leven zijnde ouders. Mogelijk kent deze vordering een hoog rendement van 6%. Bijkomend voordeel is dat de vordering vrijgesteld is van box 3-heffing. Pas vanaf het moment dat de vordering opeisbaar wordt, komt er een einde aan deze defiscalisering.
BRON:
1 Artikel 22 Wet VPB 1969.
2 Artikel 2.14, lid 3c Wet IB 2001.
3 Artikel 2.14, lid 3d Wet IB 2001.
4 Artikel. 2:175 e.v. BW.
5 Artikel 3.99b Wet IB 2001.
6 Artikel 2.10, lid 2 en art. 2.10a, lid 2 Wet IB 2001.
7 Artikel 2, lid 1 Wet VPB 1969.
8 Besluit 27 maart 2006, nr. CPP2005/2729M.
9 Hoofdstuk 5, Wet IB 2001.
10 Artikel I, AN Invoeringswet Wet Inkomstenbelasting 2001.
11 Zie artikelen 5.16 en 5.17 Wet IB 2001.
12 Zie verder het Eigenwoningbesluit 10 juni 2010, nr. DGB2010/921.
13 Zie file:///C:/Users/Gebruiker/Downloads/wetsvoorstel-wet-excessief-lenen-bij-eigenvennootschap.pdf.