Publicatie vakblad De Hypotheekadviseur (VFP 2020), nr. 1/ 2021, door Ramon Wernsen
Ieder jaar wijzigen onze wetten, regels en belastingtarieven. 1 januari is daarom een belangrijke datum voor u als adviseur en uw klanten. Het is mogelijk om zowel in box 1, 2 en 3 als daarbuiten vermogen op te bouwen. Elke fiscale box heeft zo zijn voor- en nadelen. In dit artikel en in het volgende nummer (deel 2, slot) komen de belangrijkste wijzigen aan bod met betrekking tot de boxen 1, 2 en 3, alsook de voor- en nadelen van de betreffende fiscale boxen.
Wat is behavioral finance?
De belangrijkste doelstelling van veel van uw klanten is dat zij hun huidige uitgavenpatroon bij voorkeur zolang mogelijk kunnen blijven voortzetten. Niet alleen nu, maar ook nadat zij gestopt zijn met werken. Vermogen wordt opgebouwd doordat minder wordt uitgegeven dan er aan geld binnenkomt uit arbeid, uitkering, rente, dividend, schenkingen en erfenissen. Verder bouwen veel mensen ongemerkt vermogen op in hun eigen woning. Dit omdat de woning in waarde is gestegen vanaf het moment van aankoop, dan wel omdat de hypotheekschuld is verlaagd door automatische aflossing of vrijwillige extra aflossingen. Het geld dat resteert nadat alle uitgaven zijn voldaan kan door uw klanten alsnog worden geconsumeerd, dan wel opzij worden gezet op een spaarrekening, beleggingsrekening, uit te lenen of worden gebruikt om (hypotheek)schulden af te lossen. Andere mogelijkheden zijn om het geld te schenken aan bijvoorbeeld de kinderen. Dit laatste is vaak een andere belangrijke doelstelling die uw klanten hebben. Vaak wordt geschonken binnen de fiscale vrijstellingen die hiervoor gelden, dan wel wordt gebruikgemaakt van een papieren schenking. In plaats van schenken wordt ook wel gekozen om geld uit te lenen aan de kinderen al dan niet in combinatie met een schenking.
Belangrijkste doelstelling
Zoals gezegd voor velen is de belangrijkste doelstelling dat zij geld genoeg hebben om oud te worden. De vraag is of het pensioeninkomen hiervoor voldoende is. Dit pensioeninkomen zal veelal bestaan uit AOW en het opgebouwde ouderdomspensioen. Het betreft hier inkomen dat in box 1 valt en bij uitkering hier ook zal worden belast met momenteel een progressief belastingtarief tussen de 19,2 en 49,5%. Het is onzeker of deze tarieven ook nog gelden over bijvoorbeeld 10 of 20 jaar, of nog verder in de toekomst. Daar komt bij de onzekerheid over de indexatie van de pensioenen, alsook de houdbaarheid van de AOW. Door de vergrijzing zal het percentage 65-plussers in ons land alleen maar toenemen. Momenteel is 23% van de totale bevolking ouderdan 65 jaar. De verwachting is dat dit percentage zal toenemen naar 40,7% in 2030 en 47,3% in 2040.1
Vermogen opbouwen
Vermogen opbouwen kan op meerdere manieren en zowel in de fiscale box 1, 2 als 3. In box 1 kan gedacht worden aan vermogen opbouwen in de eigen woning, in een kapitaalverzekering welke afgesloten is voor 1 januari 2013, in de pensioenregeling en/of in een lijfrenterekening of verzekering.
In box 2 kan vermogen worden opgebouwd in de (spaar)bv dan wel in een (open) fonds voor gemene rekening (ofgr) al dan niet met vbi-status (vrijgestelde beleggingsinstelling). Al het vermogen dat niet in box 1 of 2 wordt belast, wordt in principe belast in box 3. Binnen box 3 bestaat er een vrijstelling van € 50.000 per persoon, verder zijn er extra vrijstellingen voor bepaalde vermogensbestanddelen. Denk hierbij aan bijvoorbeeld de aangewezen groenfondsen welke een extra maximale vrijstelling kennen van € 60.429 per persoon (met fiscale partner € 120.858). Daarbovenop geldt een extra heffingskorting van 0,7%.
Voorts kunnen er vermogensbestanddelen aanwezig zijn welke wel (latent) aanwezig zijn, maar onbelast zijn. Denk hierbij aan auto’s, kunstvoorwerpen, sieraden, maar ook aan vorderingen op een van de nog in leven zijnde ouders. Deze vordering uit de wettelijke verdeling kan onbelast zijn, maar er is ook een kans dat deze op basis van een testamentaire afspraak rentedragend is tegen 6% per jaar. Goed te weten is verder dat een geldvordering op de langstlevende ouder welke niet opeisbaar is gedefiscaliseerd is. Ofwel deze vordering en de daarmee corresponderende schulden behoren niet tot de grondslag sparen en beleggen van box 3. Pas vanaf het moment dat de vordering opeisbaar wordt, komt er een einde aan de defiscalisering. Ook is er een kans dat de eigen woning van de ouders op een gegeven moment vererft naar de kinderen en zodoende vermogen oplevert.
Box 1: eigen woning
Het vermogen van de meeste Nederlanders zit in hun eigen woning. Op 1 januari 2020 waren er volgens het CBS bijna 7,9 miljoen woningen voor ongeveer evenveel huishoudens. Ongeveer 57% van de Nederlandse huishoudens is in het bezit van een eigen woning.2 De gemiddelde WOZwaarde in 2020 bedroeg ongeveer € 350.000.3 De totale hypotheekschuld bedraagt ongeveer € 750 miljard. Dit betekent dat de gemiddelde hypotheekschuld van een huishouden ongeveer € 170.000 bedraagt en het aanwezige vermogen in de stenen van het huis (de overwaarde) gemiddeld € 180.000.
Dit niet-liquide vermogen kan liquide worden gemaakt door de verkoop van de woning of door het afsluiten van een opeet- of verzilverhypotheek. De na verkoop resterende overwaarde kan belastingvrij worden ontvangen. Wel is op deze overwaarde de eigenwoningreserve van toepassing. Deze vervalt na 3 jaar of na eventueel eerder overlijden.5 Op zich hoeft dit laatste niet altijd een nadeel op te leveren. Immers wanneer de overwaarde niet wordt ingebracht in de nieuwe woning maar wel wordt gefinancierd valt dit deel van de lening in box 3. Hier komt het na aftrek van de box 3-schuldendrempel van € 3200 (fiscale partners € 6400, deze schuldendrempel is gelijk gebleven ten opzichte van vorig jaar) in mindering op het box 3-vermogen.6 Hierdoor is mogelijk minder vermogensrendementsheffing verschuldigd wat ook kan worden beschouwd als een vorm van rendement op het vermogen.
Behalve met een fiscaal oog kan voorgaande ook vanuit een beleggingsoogpunt worden bekeken. In plaats van de overwaarde te beleggen in een eigenwoning (beleggingscategorie: fysiek vastgoed) kan nu de overwaarde worden belegd in andere beleggingscategorieën, bijvoorbeeld aandelen welke een hoger verwacht langetermijnrendement kennen dan de eigen woning. Voorwaarde is uiteraard wel dat het verwachte rendement hoger moet zijn dan de financieringslasten van de box 3-lening. Voordeel is dat de financiering aflossingsvrij kan worden afgesloten tegen een lage rente. Daar deze rente niet fiscaal aftrekbaar is kan het de overweging waard zijn om de rente voor een korte periode af te sluiten, bijvoorbeeld tegen een variabele rente of 1 jaar vaste rente. Dit laatste kan sowieso een goed besluit zijn wanneer verwacht wordt dat de rente de komende jaren op een laag niveau blijft.
Ik hoor u denken: maar beleggen met geleend geld is toch risicovol? Dat klopt, maar het afsluiten van een reguliere eigenwoninglening (box 1) is ook beleggen met geleend geld en ook risicovol. Dit in de zin dat het onderpand ‘de eigen woning’ ook in waarde kan dalen. Het is nog niet zolang geleden dat veel woningen ‘onder water stonden’. Op dit moment bedraagt dit percentage nog ongeveer 4%, in 2013 was dit meer dan 30%, dit als gevolg van de dalende huizenprijzen in de periode 2009-2013.7
Net als in andere beleggingscategorie.n is het verwachte rendement op de eigen woning grotendeels onzeker. Het gemiddelde rendement over de periode 1976-2019 bedroeg ongeveer 4,5% per jaar, gecorrigeerd met inflatie bedroeg het gemiddelde rendement ongeveer 1%. Ter vergelijking: een belegging in de S&P 500-index leverde gecorrigeerd met inflatie, fondskosten en box 3-belasting ruim 7% op.8 Uiteraard is het beleggingsrisico van aandelen uitgedrukt in standaarddeviatie hoger dan die van de eigen woning maar hier staat dan ook een hogere beloning tegenover. Een ander belangrijk voordeel is dat het vermogen beter gespreid is en liquide is.
Box 1: kapitaalverzekering (KEW, BEW, SEW)
Sinds 1 januari 2013 is het niet meer mogelijk om een kapitaalverzekering eigen woning (KEW), spaarrekening eigen woning (SEW) of beleggingsrekening eigen woning (BEW) af te sluiten (hierna kapitaalverzekeringen). Maar er zijn nog genoeg kapitaalverzekeringen in omloop welke onder het overgangsregime vallen.9 Met deze producten is het mogelijk om belastingvrij vermogen op te bouwen. Dit kan risicoloos met een rentevergoeding welke gelijk is aan de hypotheekrente, dan wel op basis van beleggingen in diverse categorieën en zodoende op basis van verschillende beleggingsprofielen elk met hun eigen verwachte rendement en risico. Behalve de reguliere premie of inleg is het mogelijk om onder voorwaarden binnen de bandbreedte van 1:10 extra bij te storten in de kapitaalverzekering. Dit is met name interessant als een risicoloos hoog garantierendement kan worden ontvangen.
Als wordt voldaan aan de voorwaarden is de vrijstelling dit jaar € 171.000 en met een fiscale partner het dubbele: € 342.000.10 Sinds 2016 mogen fiscaal partners onder voorwaarden de uitkering ook aan elkaar toerekenen, ook als maar een van de partners als begunstigde op de polis staat.11 Dat kan van pas komen als de uitkering hoger is dan de enkele vrijstelling of als een van de partners de vrijstelling al eerder (deels) heeft gebruikt. Verder zijn de tijdsklemmen per 1 april 2017 vervallen. Dat betekent dat de minimale duur premiebetaling van 15 of 20 jaar geen vereiste meer is om een belastingvrije uitkering te kunnen ontvangen. De eis dat de uitkering moet worden aangewend voor de aflossing van de eigenwoningschuld blijft gehandhaafd. Dit betekent dat de opgebouwde waarde in de kapitaalverzekering vroeg of laat in de eigen woning wordt geïnvesteerd en zodoende in de beleggingscategorie fysiek vastgoed. Hier staat tegenover dat de financieringslasten wegvallen.
Helaas is het geheel afgelost hebben van de eigenwoningschuld sinds 2019 fiscaal minder voordelig geworden. De aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld (Wet Hillen) is namelijk sinds dat jaar komen te vervallen. In 2005 werd de Wet Hillen geïntroduceerd om de aflossing van hypotheken te stimuleren. Deze wet zorgde ervoor dat de bijtelling van het eigenwoningforfait nooit meer kon zijn dan de aft rekbare hypotheekrente en de overige aft rekbare kosten. Vanaf 1 januari 2019 werd weer eens duidelijk dat onze wetgever lang niet altijd een betrouwbare partner blijkt te zijn. Vanaf 2019 wordt de aft rek voor de kleine woningschuld over 30 jaar afgebouwd. Het percentage neemt ieder jaar af met 3,33%.12 Vanaf 1 januari 2048 vervalt de aft rek helemaal. Dit betekent dat de betreffende eigenwoningbezitter in 2021 nog maar 90% van het verschil tussen zijn eigenwoningforfait en de aftrekbare kosten voor de eigen woning als aftrek krijgt.
Voor wat betreft het eigenwoningforfait geldt dat het percentage dit jaar verlaagd is van 0,6% naar 0,5%. Voor woningen met een WOZ-waarde van meer dan € 1.110.00 is ook minder eigenwoningforfait verschuldigd.
Is het box 1-inkomen uit werk en woning in 2021 hoger dan € 68.507? Dan kan de betreffende eigenwoningbezitter te maken krijgen met een samenloop van de regeling ‘geen of een kleine eigenwoningschuld’ en de tariefsaanpassing voor de aftrek eigen woning in de hoogste belastingschijf. Dat kan betekenen dat hij minder aftrek heeft.
Voorbeeld
Uw klant heeft een hypotheekvrije woning met een WOZwaarde van € 800.000. Het tarief aan eigenwoningforfait in 2021 bedraagt 0,5%, dit is een daling van 0,1% ten opzichte van 0,6%.13 Op basis van het voorgaande moet uw klant voor zijn eigen woning € 4000 aan eigenwoningforfait aangeven. Aan rente en aftrekbare kosten heeft hij € 3.500 betaald. Per saldo is zijn eigenwoningforfait € 500. De aftrek voor geen of een kleine eigenwoningschuld komt dan uit op € 450 (€ 500 x 90%). Dat betekent dat hij het verschil van € 50 bij zijn box 1-inkomen uit werk en woning moet optellen. Stel het box 1-inkomen van deze klant is € 66.000 bruto per jaar. Zijn totale inkomen uit werk en woning is dan € 66.033. Om te bepalen of hij tegen de tariefsaanpassing eigen woning aan loopt, moet u de volgende berekening maken:
| Belastbaar inkomen uit werk en woning | € 66.033 |
| Afgetrokken rente en kosten eigen woning | € 3.500 + |
| Drempelbedrag hoogste schijf14 | € 68.507 -/- |
| Totaal | € 1.026 |
In dit geval geldt dat over een bedrag van € 1.026 de tariefsaanpassing zal plaatsvinden. De aftrek over € 1.026 gaat in 2021 tegen maximaal 43% in plaats van tegen 46% in 2020.
Box 1: pensioenregeling en lijfrente
Onder voorwaarden is het mogelijk dat uw klanten extra vermogen opbouwen binnen de eigen pensioenregeling dan wel via een lijfrenterekening of verzekering. De hiervoor beschikbaar gestelde premie of inleg kan onder voorwaarden worden afgetrokken tegen de daarvoor geldende tarieven in box 1. Het van belasting vrijgestelde opgebouwde vermogen wordt uiteindelijk omgezet naar een periodiek inkomen dat wordt belast in box 1 tegen het dan geldende progressieve tarief.
Nederlanders staan erom bekend dat zij gek zijn op fi scale voordelen. Zeker in het verleden werd niet zelden € 2 uitgegeven om uiteindelijk € 1 te besparen. In tegenstelling tot veel aft rekposten, waaronder de eigenwoningrente, persoonsgebonden aftrek en ondernemersfaciliteiten kunnen de lijfrentepremie en de vrijwillige pensioenpremie nog tegen maximaal 49,5% worden afgetrokken in box 1 in plaats van tegen maximaal 43%.15 Goed te weten is dat uw klant na ontslag nog maximaal 10 jaar de vrijwillig betaalde pensioenpremie mag blijven aft rekken als aft rekpost in box 1.16 De maximale inkomensgrondslag bedraagt voor dit jaar € 112.189. Trekken we hier het AOW-forfait van € 12.672 vanaf dan resteert een maximale premiegrondslag van € 99.517. De maximale jaarruimte komt hiermee uit op € 13.236 (13,3% x € 99.517). Het maximumbedrag aan reserveringsruimte in 2021 is € 7489 en € 14.785 voor diegenen die minder dan 10 jaar voor de AOWleeftijd zitten.17 Uitgaande van een teruggave van 49,5% betekent dit een maximale netto-investering van respectievelijk € 6684, € 3782 en € 7466. Tegenover het fiscale voordeel van fiscaal aftrekbare premies en belastingvrije vermogensopbouw staat de onzekerheid van de toekomstige belastingtarieven waartegen de periodieke uitkeringen worden belast. Verder maakt uw klant van liquide vermogen (de premie/inleg) deels niet-liquide vermogen. Dit laatste kan voor sommige klanten daarentegen ook een voordeel zijn, aangezien sommige klanten het lastig vinden om hun vermogen niet deels aan te wenden voor onnodige materiële zaken welke vanuit beleggingsoogpunt een slechte investering zijn. Denk aan bijvoorbeeld een bankstel, kast, keuken of nieuwe auto. In tegenstelling tot de kapitaalverzekering zal uw klant uitgaande van een beschikbare premieregeling (dc-regeling) en lijfrenterekening of verzekering in alle gevallen beleggingsrisico moeten lopen om enig rendement te kunnen verwachten. Sinds 2016 is het mogelijk om ook de pensioenen lijfrentekapitalen door te beleggen in de uitkeringsfase.18 Ook in het geval dat de klant bijstort in een db-regeling zal de inleg worden belegd door de pensioenuitvoerder. Gelet op de uitkomst van het pensioenakkoord betekent dit dat ook hier in de toekomst een onzekere uitkomst tegenover staat. Het uiteindelijke rendement op de extra ingelegde pensioenpremie zal afhankelijk zijn van de resultaten van de onderliggende beleggingen waarin het pensioenfonds belegt.
Ook kan vermogen opbouwen in de pensioenregeling of in een lijfrenteproduct gunstig uitpakken voor bepaalde toeslagen. Zo heeft het vermogen opgebouwd in pensioen of lijfrente geen gevolgen voor zorgtoeslag, huurtoeslag en kindgebonden budget (voor de kinderopvangtoeslag speelt het vermogen geen rol). Dit kapitaal valt namelijk niet onder het eigen vermogen. Let wel, als het opgebouwde vermogen is omgezet in inkomen dan kan dit wel gevolgen hebben voor het recht op toeslag. Verder is onder voorwaarden het lijfrentekapitaal tot € 265.952 (2021) beschermd tegen korting op een eventuele bijstandsuitkering. Dit laatste is anders als het vermogen op een beleggingsrekening of spaarrekening in box 3 staat. Het maximaal toegestaan vermogen bedraagt slechts € 6295 (fiscale partners € 12.590). Goed te weten is dat vermogen in de daarvoor door de overheid aangewezen vrijgestelde groenfondsen buiten de vermogenstoets voor de toeslagen en uitkeringen valt. Dit geldt ook voor vermogen dat wordt opgebouwd in box 2 via een bv of fonds voor gemene rekening.
De eigen woning (box 1) vormt wel een onderdeel van het vermogen. Bedraagt de overwaarde meer dan € 53.000 dan bepaalt de gemeente of de betreffende persoon desondanks recht heeft op een bijstandsuitkering. Wanneer daarvan sprake is, wordt de bijstand in beginsel als een – op een later moment terug te betalen lening – verstrekt. De gemeente kan tot zekerheid van de terugbetaling van de bijstandslening een krediethypotheek op het huis afsluiten. Daarnaast telt ook de waarde van een tweede woning of vakantiehuis (in binnen- of buitenland) mee voor het vaststellen van het vermogen ervan uitgaande dat deze zich in box 3 bevindt. Voorts kunnen ook ontvangen schenkingen ervoor zorgen dat het vermogen te hoog wordt en dat zodoende toeslagen of uitkeringen mis worden gelopen. In het volgende nummer van De Hypotheekadviseur wordt dit artikel vervolgd. In deel 2 (slot) komt aan bod de opbouw van vermogen in box 2 en box 3.
BRON:
1 Bron: Oeso.
2 https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/82900NED/table?fromstatweb.
3 https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2020/37/woz-waarde-gemiddeld-8-9-procenthoger#:~:text=De%20gemiddelde%20 WOZ%2Dwaarde%20ging,351%20duizend%20euro%20in%202020.
5 Artikel 3.119aa Wet IB 2001.
6 Artikel 5.3 Wet IB 2001.
7 https://www.vastgoedactueel.nl/toename-hypotheekschuld-minder-huizen-onder-water/.
8 R.A. Wernsen, ‘Eigen woning en hypotheek als onderdeel van asset allocatie’, De Hypotheekadviseur 2020/23.
9 Artikel 10bis.2 Wet IB 2001.
10 Artikel 10bis.6 Wet IB 2001.
11 Besluit Staatssecretaris van Financiën 4 februari 2016, nr. BLKB2016/33M.
12 Artikel 3.123a Wet IB 2001.
13 Artikel 3.112 Wet IB 2001.
14 Artikel 2.10 en 2.10a Wet IB 2001.
15 https://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/nl/aftrek-en-kortingen/content/afbouwtarief-aftrekposten-bij-hoog-inkomen.
16 Besluit van 6 november 2015, nr. BLKB2015/830M, paragraaf 2.3.
17 Artikel 3.127 Wet IB 2001.
18 Wet verbeterde premieregeling.