Publicatie in Vakblad De Hypotheekadviseur, nummer 4-2019 (uitgeverij Wolters Kluwer), door Ramon Wernsen. Lees ook deel 1 van dit artikel.

De beroemde Griekse filosoof Aristoteles zei het al: ‘Het is waarschijnlijk, dat er onwaarschijnlijke dingen zullen gebeuren.’ Het is belangrijk voor u als adviseur om uw klanten te wijzen op de risico’s rond de hypotheek die zij hebben of willen afsluiten.

Met dit alles moet rekening worden gehouden als uw klant een woning koopt en een hypotheek bij u afsluit. Uw klant gaat immers een financiële verplichting van lange duur aan. Bij het afsluiten van een hypotheek is het belangrijk dat u uw klanten enerzijds beschermt tegen grote financiële risico’s, anderzijds moet de hypotheek de klant voldoende flexibiliteit bieden als zijn omstandigheden veranderen. In het vorige nummer is het schaderisico uitgebreid aan bod gekomen. In dit artikel gaan we allereerst in op de inkomensrisico’s, zoals arbeidsongeschiktheid en werkloosheid en vervolgens op het restschuldrisico.


Arbeidsongeschiktheid

Als uw klant niet meer kan werken door een ernstige ziekte of een ongeval, daalt meestal zijn inkomen. In het ergste geval kan hij dan zijn hypotheek niet meer betalen. Bij het afdekken van dit risico maken geldverstrekkers traditioneel onderscheid tussen ondernemers en werknemers. In de praktijk is dit onderscheid achterhaald, nu steeds meer mensen op flexibele contracten werken of een loondienst combineren met het ondernemerschap.
Voor werknemers zijn er bij een inkomensterugval voorzieningen getroffen door de werkgever en daarna door de overheid. In de praktijk zijn die regelingen veelal niet toereikend. Voor ondernemers zijn er geen overheidsvoorzieningen, zij moeten zichzelf zelf indekken tegen inkomensdalingen. Hiervoor kunnen zij bijvoorbeeld – via u als adviseur – een arbeidsongeschiktheidsverzekering afsluiten.
De geldverstrekker kan uw klant niet verplichten een verzekering af te sluiten. Wel kan een verzekering de kans dat uw klant een hypotheek krijgt vergroten. Het risico van wanbetaling voor de geldverstrekker daalt immers.


Werknemers

Jaarlijks raken gemiddeld 47.000 mensen arbeidsongeschikt, door ziekte of een ongeval. In de eerste twee jaar van hun arbeidsongeschiktheid zorgt de werkgever voor inkomen. Dit is meestal 100 procent van het inkomen in het eerste jaar en 70 procent in het tweede jaar.

Vanaf het derde jaar wordt de uitkering berekend op basis van de mate van arbeidsongeschiktheid van uw klant. Het komt erop neer dat uw klant bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid kan rekenen op een uitkering van jaarlijks maximaal 39.149 euro bruto en bij gehele arbeidsongeschiktheid op maximaal 41.945 euro bruto (2019). Betekent dit voor uw klant een ernstige terugval in inkomen, dan kan hij (waar hij staat in dit artikel, kan ook zij worden gelezen) een zogeheten WGA- of WIA-hiaatverzekering overwegen. Deze kan – eventueel via u als adviseur – worden afgesloten bij een verzekeraar, maar de kosten hiervan zijn hoog. Aantrekkelijker is het vaak om aan te sluiten bij een collectieve verzekering van de werkgever die zorgt voor een aanvulling bovenop de wettelijke bedragen.

Bekijk ook de gevolgen van arbeidsongeschiktheid voor de pensioenopbouw van uw klant. Meestal loopt de pensioenopbouw door op basis van het salaris bij de aanvang van de arbeidsongeschiktheid. U doet er als adviseur goed aan om dit te controleren en uw klant te wijzen op de eventuele gevolgen van arbeidsongeschiktheid.

De waarde van een woonlastenbeschermer

Verzekering tegen arbeidsongeschiktheid kent verschillende vormen. Een traditionele arbeidsongeschiktheidsverzekering zorgt voor vervanging van het inkomen voor uw klant als hij niet meer kan werken. Er zijn verzekeringen die alleen zorgen voor de vervanging van de woonlasten als uw klant deze zelf niet meer kan opbrengen. Deze worden woonlastenverzekering genoemd en keren een bedrag voor de woonlasten uit bij een inkomensterugval door arbeidsongeschiktheid of door werkeloosheid. Zoals u waarschijnlijk weet biedt echter niet elk product een even stevige dekking. Zo sluiten veel polissen bepaalde aandoeningen (zoals een burn-out) uit. Bovendien keren sommige woonlastenbeschermers maar gedurende een beperkte periode uit.  U doet er goed aan om zowel de voordelen als nadelen van dit soort producten goed uit te leggen aan uw klant.

Informeer uw klant ook over de zogenaamde carenztijd. Dat wil zeggen dat er gedurende een eerste periode (meestal zes maanden) geen dekking is. Dit moet voorkomen dat mensen een verzekering afsluiten op het moment dat ze een ontslag of arbeidsongeschiktheid aan zien komen. Uw klant kan van deze regeling de dupe worden als hij in deze periode onverwacht wordt ontslagen of ziek wordt.

Zelfstandigen

Voor uw klanten die in loondienst zijn (werknemers) is er een vangnet; eerst betaalt hun werkgever het loon door, daarna de overheid. Voor uw ondernemende klanten (zelfstandigen) is de situatie zoals u weet heel anders, voor hen ontbreekt elk vangnet. Jaarlijks raakt één op elke tien ondernemers tijdelijk of langdurig arbeidsongeschikt. De cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) laten zien dat het afhankelijk is van de branche waarin de ondernemer werkzaam is. In de ene branche komt ziekte en arbeidsongeschiktheid vaker voor dan in de andere. Uit cijfers van uitkeringsinstantie UWV blijken stukadoors, vissers en schilders de grootste kans te hebben arbeidsongeschikt te raken. Iets voor u als adviseur om rekening mee te houden en uw klanten te vertellen. 

Als ondernemer kan uw klant dus niet rekenen op de overheid als hij (deels) arbeidsongeschikt raakt. Misschien beschikt uw klant zelf over een buffer, bijvoorbeeld in de vorm van vermogen of het inkomen van de partner. Is dit niet of nauwelijks het geval, dan doet uw klant er als zelfstandige verstandig aan een arbeidsongeschiktheidsverzekering af te sluiten die zorgt voor een aanvulling op het inkomen. Voor een geldverstrekker is het een aanbeveling als een ondernemer een arbeidsongeschiktheidsverzekering (AOV) heeft, dat helpt bij het verkrijgen van een hypotheek. Uiteraard kunt u als adviseur uw klant helpen met een passende oplossing. 

Arbeidsongeschiktheidsverzekering

De premie van een arbeidsongeschiktheidsverzekering is voor veel van uw ‘ondernemende’ klanten een flinke kostenpost. Toch is het afdekken van het risico op arbeidsongeschiktheid van groot belang. Door goed te kiezen, valt een verzekering mogelijk toch binnen het budget. U kunt als adviseur ‘spelen’ met de volgende variabelen:

Wachttijd: Keert de verzekering na 30, 60, 90, 180, 360, of 720 dagen uit? Hoe langer de wachttijd, hoe lager de premie. 

Hoogte en duur uitkering: Hoe lager de uitkering, hoe lager de premie die uw klant betaalt. Zoek uit wat uw klant minimaal aan inkomen nodig heeft en welke voorzieningen er al zijn. Heeft hij – al dan niet samen met zijn partner – vermogen? 

·Arbeidsongeschiktheidscriterium: De verzekering kan worden afgestemd op het beroep en de werkervaring van uw klant bij het bepalen van arbeidsongeschiktheid. Kiest u voor ‘beroepsarbeidsongeschiktheid’ voor uw klant, dan keert de verzekering uit als uw klant zijn huidige beroep niet meer kan uitoefenen. Kiest u voor ‘passende arbeid’ voor uw klant, dan is de drempel hoger om arbeidsongeschikt te zijn. Een financieel adviseur die zijn vak niet meer kan uitoefenen door gehoorproblemen, kan nog wel als pakketbezorger aan de slag. Is in de dekking van de verzekering gekozen voor ‘gangbare arbeid’ dan moet uw klant elk werk aanpakken en is hij pas (volledig) arbeidsongeschikt als hij helemaal niet meer kan werken. Kijk goed of het premieverschil dit risico goedmaakt. 

Indexatie: Overweeg voor uw klant of jaarlijkse indexering van het verzekerde bedrag nodig is.

Starterskorting: Starters krijgen de eerste jaren vaak een starterskorting, deze kan oplopen tot 30 procent van de premie. Goed om te weten is dat er tussen de verschillende verzekeraars grote premieverschillen bestaan zonder dat dit ten koste hoeft te gaan van de voorwaarden. Heeft uw klant al een arbeidsongeschiktheidsverzekering, dan is de kans groot dat u hem kan helpen hierop te besparen.

Minder inkomen

Er komen misschien periodes in het leven van uw klant waarin hij gewild of ongewild tijdelijk minder inkomen heeft. Het is belangrijk dat hij weet wat dit voor zijn woonlasten betekent. Kan hij dan de hypotheek nog opbrengen of komt hij financieel in de problemen?

Veel Nederlanders – vooral vrouwen – werken gedurende hun leven een kortere of langere periode niet fulltime. In zo’n periode daalt hun inkomen, maar dat is niet het enige. Ook bouwen zij minder pensioen op. Als uw klant (tijdelijk) minder gaat werken, heeft dat ook gevolgen voor het partnerpensioen. Bij het partnerpensioen wordt er namelijk van uitgegaan dat uw klant parttime blijft werken. Als hij tijdens deze periode zou komen te overlijden, dan ontvangt zijn partner een lagere uitkering. Overweeg als adviseur of het nodig is dit risico – tijdelijk – af te dekken voor de nabestaanden door het afsluiten van een overlijdensrisicodekking.

Financiële gevolgen van werkloosheid

Veel mensen hebben een verkeerd beeld van het effect op de financiën als zij werkloos worden. Zij denken dat ze een lange periode 70 procent van hun laatstverdiende inkomen uitgekeerd krijgen. Onterecht.

Afhankelijk van de opzegtermijn ontvangen uw klanten na ontslag nog één of twee maanden loon. Daarna hebben zij waarschijnlijk recht op een werkloosheidsuitkering bij een contract voor onbepaalde tijd. Zij hebben geen recht op WW als een tijdelijk arbeidscontract afloopt.

Afhankelijk van het arbeidsverleden van uw klant duurt de werkeloosheidsuitkering minimaal drie maanden en maximaal 24 maanden. De exacte uitkeringsduur kunt u berekenen via bijvoorbeeld www.uwv.nl/particulieren.

De hoogte van de werkloosheidsuitkering bedraagt gedurende de eerste twee maanden van werkloosheid 75 procent van het laatstverdiende salaris. De resterende maanden krijgt uw klant 70 procent van het laatstverdiende salaris. Deze regeling heeft echter een plafond. Verdiende uw klant meer dan 55.927 euro per jaar (2019), dan krijgt hij over het meerdere geen uitkering.

De kans is dus groot dat uw klant er qua inkomen op achteruit gaat. Verder is het goed om uw klant erop te wijzen dat, naast het inleveren van geld, werkloosheid nog meer vervelende financiële kanten kent. Zo stopt de pensioenopbouw en moet een eventuele leaseauto of ov-jaarkaart worden ingeleverd.

Heeft uw klant een buffer die het effect hiervan op de persoonlijke financiën opvangt? Mogelijk kan een ontslagvergoeding (tegenwoordig beter bekend onder de naam transitievergoeding, ‘transitie’ benadrukt de overgang naar ander werk) hierin voorzien, maar deze vergoedingen zijn flink versoberd in de afgelopen jaren. De hoogte van deze vergoeding hangt af van het salaris en het aantal jaren dat uw klant heeft gewerkt bij zijn werkgever.

Heeft een ontslagvergoeding invloed op de WW?

Bij ontslag heeft uw klant meestal recht op een ontslagvergoeding. Deze ‘gouden handdruk’ heeft geen invloed op de hoogte van de WW-uitkering. Wel kan de WW soms later starten door een ‘fictieve opzegtermijn’.

Uw klant heeft recht op een transitievergoeding als:

  • hij 18 jaar of ouder is;
  • hij minimaal twee jaar voor een bepaalde werkgever heeft gewerkt;
  • hij instemt met zijn ontslag;

Het maakt niet uit of uw klant een vast of tijdelijk contract heeft. Als uw klant in goed overleg uit elkaar gaat, kan hij onderhandelen over de hoogte van de ontslagvergoeding. Het is wel belangrijk dat de werkgever het initiatief neemt om uw klant te ontslaan, anders vervalt zijn recht op WW.

Wanneer uw klant het heel bont heeft gemaakt op zijn werk, dan is hij mogelijk verwijtbaar werkloos. In dat geval krijgt hij geen ontslagvergoeding en ook geen WW. Het UWV gaat uit van een ‘fictieve opzegtermijn’. Dat is de opzegtermijn volgens de wet of het contract. De WW gaat pas in na het verstrijken ervan. Spreekt uw klant met de werkgever een eerdere einddatum af, dan heeft hij niet ook eerder recht op WW.

EEN VOORBEELD:

Je klant en zijn werkgever spreken op 17 maart af dat jouw klant per 1 april uit dienst gaat. Als jouw klant bij het UWV een WW-uitkering aanvraagt, dan gaat deze pas in op 1 mei. Het UWV hanteert de fictieve opzegtermijn van een maand. Het laat de WW-uitkering altijd ingaan op de eerste dag van de maand. Als jouw klant direct per 1 april WW wil ontvangen, dan had de werkgever zijn contract eind februari moeten beëindigen.

Na maximaal 24 maanden stopt de werkloosheidsuitkering. Jouw klant is dan aangewezen op een uitkering volgens de bijstandswet. Een uitkering op basis van de bijstandswet komt maximaal neer op zo’n 17.000 euro bruto per jaar. Om in aanmerking te komen voor een bijstandsuitkering is ook relevant of er sprake is van eigen vermogen. Het maximale toegestane vermogen om in aanmerking te komen voor bijstand is: voor gehuwden/samenwonenden en alleenstaande ouders: 12.240 euro en voor alleenstaanden 6.120 euro. 

Voor mensen die een bijstandsuitkering ontvangen en in een eigen woning wonen, geldt een extra vrijstelling van maximaal 51.600 euro (c2019). Werkt de partner, heeft de klant samen met zijn partner meer dan 12.240 euro spaargeld of is de overwaarde van de woning meer dan 51.600 euro? Dan wordt de uitkering gekort of vervalt deze.

Eigen woning en bijstand

Met een eigen woning heeft je klant recht op bijstand als hij voldoet aan de algemene voorwaarden voor bijstand. Daarnaast gelden aanvullende voorwaarden. Waar hij nog meer aan moet voldoen, hangt af van de overwaarde van de woning: is deze hoger of lager dan 51.600 euro? Woont je klant in een woonboot of woonwagen, dan gelden dezelfde regels.

De overwaarde van het huis is de huidige waarde van de woning minus de nog niet afgeloste hypotheek. De betreffende gemeente mag zelf bepalen hoe zij de waarde van de woning vaststelt. De gemeente kan bijvoorbeeld de woning laten taxeren door een taxateur. Ook kan de gemeente uitgaan van de waarde van de woning van jouw klant zoals die staat in een recente WOZ-beschikking.

Is de overwaarde van jouw huis lager dan 51.600 euro, dan heeft jouw klant recht op een bijstandsuitkering als hij voldoet aan de volgende voorwaarden:

  • hij woont (met zijn gezin) zelf in de woning;
  • van jouw klant kan niet worden verwacht dat hij zijn huis verkoopt of een (extra) hypotheek afsluit, bijvoorbeeld omdat de woonkosten ongeveer even hoog zijn als de huur van een geschikte huurwoning.

Mocht de klant niet aan deze voorwaarden voldoen, dan heeft hij geen recht op een bijstandsuitkering. De gemeente kan hem dan verplichten om de woning te verkopen, of een (extra) hypotheek op de woning te nemen. Van het geld dat je klant hiermee ontvangt, moet hij dan voorzien in zijn levensonderhoud.

Als de overwaarde van je huis hoger is dan 51.600 euro, kun je in bepaalde gevallen toch recht hebben op een bijstandsuitkering. De vorm van de bijstandsuitkering hangt af van hoeveel bijstand jij in een jaar nodig hebt.

Ontvang je klant bijstand in de vorm van een lening? Dan kan dit niet onbeperkt aan hem worden geleend. Hij ontvangt bijstand in de vorm van een lening totdat de overwaarde van zijn huis minder is dan 51.600 euro. Daarna ontvangt hij bijstand die hij in principe niet terug hoeft te betalen.

IOAW EN IOAZ

De IOAW (Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers) is bedoeld voor oudere langdurig werklozen die geboren zijn vóór 1 januari 1965 en die 50 jaar of ouder waren toen zij werkloos werden. 

De IOAZ (Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen) is bedoeld voor ex-zelfstandigen van 55 jaar of ex-zelfstandigen die noodgedwongen hun bedrijf of beroep moesten beëindigen. 

De IOAW en de IOAZ vullen het gezamenlijke inkomen aan tot bijstandsniveau. Op onderstaande bedragen worden de bruto-inkomsten in mindering gebracht. 

Gehuwden/samenwonenden (beide partners 21 jaar of ouder): 

  • Per maand 1.535,12 euro (2019)
  • Vakantie-uitkering 122,80 euro
  • Totaal 1.657,92 euro.

Jouw klant kan zich niet verzekeren tegen langdurige werkloosheid. Een flinke buffer is een goed alternatief. Die biedt de klant de tijd om naast zijn werkloosheidsuitkering op zoek te gaan naar ander werk. Je doet er goed aan als adviseur om je klant hierop te wijzen en waar mogelijk te helpen.

Het risico van de restschuld

De kredietcrisis heeft laten zien dat een waardedaling van de eigen woning een risico kan zijn. Als jouw klant door scheiding of een andere baan zijn woning moet verkopen als de huizenprijzen dalen, kan hij met een flinke restschuld achterblijven. Nederlanders verhuizen gemiddeld zeven keer in hun leven. Dat is dus gemiddeld één keer in de tien jaar. In die periode kunnen de huizenprijzen stijgen en dalen. Daarmee wisselt de verhouding tussen de lening en de waarde van de eigen woning. Dalen de woningprijzen, dan kan dit ook van invloed op de hypotheek zijn. Het risico voor de geldverstrekker stijgt dan. Afgezien van extreme situaties – waarin eigenaren hun hypotheek niet meer (kunnen) betalen – verandert er meestal niets zolang jouw klant aan zijn financiële verplichting voldoet. Moet hij de woning echter verkopen, dan zal hij het verschil tussen de waarde van de woning en de hoogte van de hypotheekschuld zelf moeten bijleggen om de verkoop van de woning af te ronden. Uw klant moet dus spaargeld andere middelen hebben om de restschuld te voldoen. U als adviseur kan uw klant adviseren op welke wijze een passende buffer op te bouwen.

Lees ook deel 1 van dit artikel.

Ramón Wernsen MFP, FFP, CFP® is financieel planner en eigenaar van Financial Planning 4 All. Hij verzorgt verder trainingen en publicaties op het gebied van financiële planning.